Poeticaal Cahier
Johan de Boose vertelt in een soort dagboek welke rol poëzie in zijn leven speelt
Deze teksten verschenen eerder in de Poëziekrant
1 januari 2007
In een papierhandel aan Nevski Prospekt in St.-Petersburg, waar behalve boeken ook antieke wapens worden verkocht (van het type waarmee Poesjkin twee eeuwen geleden werd gedood), vind ik het ideale cahier. Het is een in donkerblauw leer gebonden boek, verguld op snee. Je kunt het gebruiken als agenda, maar je moet de data zelf invullen. Voorin staan wereldkaarten, de data van orthodoxe feestdagen en een lijst van tijdzones en afstanden. Ik heb een halve dag nodig om de data in te vullen. Omdat ik geen reguliere baan heb en het grootste deel van mijn tijd reizend doorbreng, heeft mijn cahier een dubbel doel: secundo is hij een agenda, maar primo een aantekenboek. Daarin verschijnen flarden van gedichten en droedels, waarachter ik mislukte zinnen waardig begraaf. Soms een citaat. Mark Boog: ‘Als een waterballon nadert het woord de hooivork van de onverschilligheid’.
23 januari 2007
De dag van de journalist. Een dag die ik jubelend begin. Ik hoor dat Ryszard Kapuscinski is gestorven. Hij stond op mijn lijst van auteurs die ik wilde ontmoeten, naast Anna Politkovskaja, die vorig jaar werd vermoord in haar flat in Moskou, waar ik kort tevoren nog had rondgelopen. Kapuscinski was in alles een dichter, hoewel hij maar één dichtbundel heeft geschreven. Hij was een van de weinige reisauteurs die documentaire fictie en poëzie wist te verzoenen. Ik kom vaak in streken die hij ook bereisde. Altijd is hij mijn ideale gids, en altijd word ik door zijn werk geïnspireerd tot méér dan een nieuw verslag, namelijk tot poëzie. Zoals Joseph Roth dompelde hij zich onder in de wereld die hij wilde beschrijven. Zijn werk is nooit hautain, maar invoelend. De dag die jubelend begon, eindigt in rouw, maar als ik zijn werk lees en herlees, schep ik weer moed.
26 januari 2007
Mijn moeder, bijna tachtig, een kreupel en dement oud meisje dat mij baarde, kijkt me aan alsof ze door Prometeus’ hand is aangeraakt. Het ging helemaal fout met de schepping. Zeus had de mens bij zijn geboorte meteen ook zijn sterfdatum meegegeven. De mensheid verviel in troosteloosheid en gejammer. In opdracht van Zeus trok de halfgod Prometeus naar de aarde om de mensen het vergeten te schenken. Omdat ze hun sterfdatum vergaten, schepten de stervelingen opnieuw moed.
Ik zit bij mijn moeder en denk: op latere leeftijd vergeet de mens zelfs zijn geboortedatum, en de naam van zijn nakomelingen, en de zin van zijn bestaan.
15 februari 2007
Mark Cloet, beeldhouwer, is een intimus. Hij moet het goddelijke vuur hebben gestolen, want hij lijkt vastgeketend aan een rots ergens in het land van de adelaars en elke dag hapt een vogel een stuk van zijn lever weg. Ongelukkige liefde. In gedachten reizen wij de wereld rond. Wij smeden grote-mensenplannen, hoewel we altijd gabbers zullen zijn. Wij kennen geen genade. Wij hebben het over veertigers die praten over wat ze later willen worden. Wij delen de liefde voor het woord. Na een fles wijn vinden we een definitie van poëzie uit. Ze klinkt als die van een dichter, die kortweg ‘Vrede’ heet, Paz, Octavio, geboortig uit Mexico.
‘De poëzie,’ zeggen we tegen elkaar, ‘onthult deze wereld, maar zij schept tegelijk een andere. Zij isoleert en zij verenigt. Zij is uitnodiging tot reizen en terugkeer naar het geboorteland. Smeekbede tot de leegte, dialoog met de afwezigheid: verveling, angst en wanhoop voeden haar. Zij is dochter van het toeval en vrucht van de berekening. Zuiver en onzuiver, geheiligd en verdoemd, populair en minoritair, collectief en persoonlijk, naakt en gekleed, gesproken, geschilderd, geschreven. Zij toont alle gezichten,’ zeggen we tegen elkaar, ‘maar volgens sommigen bezit zij er geen: de poëzie is een masker dat de leegte verbergt, een prachtig voorbeeld van de overbodige grootsheid van al het menselijke werken!’
25 februari 2007
Mijn vrouw zingt als sopraan bij het Collegium Vocale de Johannespassie in enkele grote Midden-Europese steden. ‘Goede muziek,’ lees ik bij Stendhal, ‘zit er nooit naast, maar gaat regelrecht naar het hart, op zoek naar het verdriet waardoor wij worden verteerd.’ Ongetwijfeld, maar terwijl dit gebeurt, stelt de zanger zich met alle registers van zijn bestaan open voor het geluk. In de muziek ligt de paradoxale kern van de poëzie: de bodem van verdriet én van geluk.
31 maart 2007
Ik bereid enkele grote reizen voor. ‘Ik heb weer peper in mijn achterste nodig,’ zei Tsjechov op weinig poëtische wijze als hij op reis toog. Reizen zorgt voor gewaarwordingen die maken dat je jezelf ontstijgt; alsof je op het dak van de wereld gaat zitten. Zin om te reizen: hevig als lust of verliefde nostalgie. Opgeschorte verwachting. Op reis, schrijft Danièle Sallenave, sluit je vrede met de wereld. Het reizen zorgt voor een gewaarwording die raakt aan het wezen van poëzie: het versnellen van het bewustzijn, ergens heen gaan waar je nog nooit bent geweest. ‘Soms,’ zegt Joseph Brodsky, ‘slaagt de dichter erin met behulp van één woord, van één rijm, daar te komen waar nog nooit iemand is geweest, en verder wellicht dan hij zelf zou willen. De dichter schrijft zijn gedicht allereerst omdat dichten een geweldige versneller van het bewustzijn is. Wie deze versnelling eenmaal heeft meegemaakt, moet deze ervaring herhalen, hij raakt afhankelijk van dit proces, zoals van verdovende middelen of alcohol. Wie zich in een dergelijke afhankelijkheid van de taal bevindt heet, denk ik, dichter.’
Het is verslavend, want je wilt altijd terugkeren naar die plaats. De Russische dichter Osip Mandelstam, een slachtoffer van de Stalinterreur, wiens spoor ik vorig jaar in Vladivostok ben tegengekomen, vond zelfs dat het uitspreken van een woord een reis betekende langs alle mogelijke associaties die met dat woord waren verbonden. Zijn gedichten zijn ontdekkingsreizen op het klaterende zilver van zijn taal.
12 april 2007
Ik zie opeens de oude dichter voor me. Hij heeft een woelig leven geleid en is (hoewel hij in hart en nieren een dichter is) heel beroemd, bij sommigen zelfs berucht (welke dichter is er nou nog beroemd en berucht?). De oude dichter leeft met de terminale ziekte die het leven heet. Hij, de eeuwig levenslustige, de overmoedige, zo oud (dat wil zeggen eeuwig jong) als een efebe. Op een dag wordt hij wakker, kijkt naar de klok. Hij kan de klok niet meer lezen. Hij beseft dat zijn geheugen verdwenen is. Er is niet eens een druppel bloed gevloeid. Ooit stond hij tegenover een vriend, die hem met een mes te lijf ging. Nu is er zelfs geen duel. De dood verschijnt in de deuropening en grijnst, tikt op zijn horloge, wil hem zeggen hoe lang hij nog te leven heeft. De dichter wil de klok lezen, hij wil de waarheid weten, maar zijn geest is al te ver heen. (De nachtmerrie van elke sterveling die nog een geheugen heeft.)
O, zoete dood.
21 april 2007
Lang gesprek in de onvolprezen boekhandel De Bolle in Brussel met Frank Westerman, een zielsverwant reizend schrijver, op vraag van dichter Serge van Duijnhoven en in het bijzijn van de spraakmakende Hollandse journalist Arthur van Amerongen. We hebben het over onze boeken, hij over Ararat, ik over Noem het middernacht. We praten o.m. over de onverbiddelijke scheidslijn tussen de Vlaamse en de Hollandse cultuur, bepaald door de godsdienst, door de onverzoenlijkheid van katholicisme en protestantisme. Een scheidslijn die me enorm boeit omdat ze ook een taal in tweeën snijdt. We zijn allebei agnosten met een obstinate fascinatie voor de religieuze mythe, verteld in oude verhalen. Wat ons scheidt zijn Griekse letters: hij is een bèta, ik een alfa. Dat is tegelijk ook weer wat ons bindt, les extrêmes se touchent.
Poëzie is spagaat, de onmogelijkste spreidzit. Is het werkelijk mogelijk twee kanten tegelijk op te gaan? Ja, dansend, dichtend.
29 april 2007
Een Afrikaans verteller, uitgenodigd door de legendarische kunstenaar Don Fabulist (door Peter Holvoet-Hansen tot ridder geslagen) onthult me de principes, die ik ook al bij meestervertellers als Ryszard Kapuscinski had gevonden, van de vertelkunst.
Boer Zumbe gaat op reis, op zoek naar de god die hem moet vertellen waarom zijn oogst mislukt. (De luisteraar hangt aan de lippen van de verteller.) Hij gaat op reis, te voet, want in Afrika gaat iedereen te voet op reis. Om de tijd te korten, zingt hij onderweg een lied. (De verteller haalt een zelfgebouwd instrument tevoorschijn, waarop hij door middel van spijkers klanken kan produceren, en hij zingt een lied in een Afrikaanse taal. Na enkele minuten gaat het verhaal verder.) Het verhaal bevat meer onderbrekingen dan voortgang. Urenlang hangen de luisteraars aan de lippen van de verteller.
Een schitterend poëtisch principe.
3 mei 2007
Jarig. Ik verwen mezelf met Joseph Brodsky: Soms slaagt de dichter erin met behulp van één woord, van één rijm, daar te komen waar nog nooit iemand geweest is, en verder wellicht dan hij zelf zou willen. De dichter schrijft zijn gedicht allereerst omdat dichten een geweldige versneller van het bewustzijn, het denken, de wereldbeschouwing is. Wie deze versnelling eenmaal heeft meegemaakt, moet en zal deze ervaring herhalen, hij raakt afhankelijk van dit proces, zoals hij afhankelijk raakt van verdovende middelen of alcohol. Wie zich in een dergelijke afhankelijkheid van de taal bevindt heet, denk ik, dichter.
Russische dichters – vroeger én nu – hebben een bijzondere manier van voorlezen. Bijzonder op twee manieren. Ten eerste doen ze het, zoals de Fransen zo mooi zeggen, par coeur. Ten tweede lezen ze niet, maar reciteren ze, bijna zingend. Twintig jaar geleden praatte ik erover met Hugo Claus. We hadden samen Jevgeni Jevtoesjenko gehoord. Hij vond het oubollig. Ik zei hem dat die manier van reciteren voortkwam uit een traditie, dat Russische dichters in grote salons en later zelfs in stadions voorlazen. Ik vond zelfs dat hij, mijn meester Claus, bij het voorlezen van Het Graf van Pernath iets van de reciterende Russen had. Ik blijf dat recitatieve nog steeds koesteren, en ik zou er graag opnieuw met Claus over praten, maar dat staat zijn gezondheid niet meer toe. Ik pleit ervoor, tegen de populistische, universeel-‘vulgariserende’ tijdsgeest in, om een recitatieve stroming op te richten – een naam heb ik nog niet –, waartoe dichters kunnen aansluiten die à la russe en par coeur gedichten gaan reciteren, desnoods (God geve dit wonder) in stadions. Kan niet, zegt u? Als je alle poëzielezers op één avond zou uitnodigen in het stadion van, laten we zeggen, KAA Gent, zou het vol zitten. En daar verschijnt een plejade van dichters, die reciteren, zoals Majakovski ooit in Rusland. Zou dat niet prachtig zijn? Ik nodig ze bij deze uit, al mijn dierbaren.
9 mei 2007
Ik woon in Rusland het bevrijdingsfeest bij. Petersburg werd tijdens de oorlog 900 dagen lang belegerd door Hitlers troepen. Mensen aten papier, honden, elkaar. Anna Achmatova schreef erover in haar poëma ‘Requiem’. Op een bandje leest ze zelf haar gedicht voor. Iemand vertelt me dat ze aan het eind van haar leven, toen Stalin iedereen van haar had weggeroofd en zij alleen, oud en ziek achterbleef, een fles wodka verborgen hield, waar ze af en toe van nipte. Vandaag verzamelen duizenden mensen zich op de oever van de Newa met wodka- en bierflessen in de hand. De rode vuurtorens in het centrum van de stad, die gegroeid is uit een strategische haven, spuwen metershoge vlammen. Er wordt gejuicht, gezongen, gedanst en gezopen. Over enkele weken breken de Witte Nachten aan. Poetins laatste ambtstermijn loopt bijna af. Gary Kasparov, wereldkampioen schaken die van de strijd tegen Poetin zijn levenswerk heeft gemaakt, vertrouwt me toe dat hij de betogingen tegen de regering organiseert als een schaakspel. Ik lees Markies de Custine, een Frans diplomaat die in 1837 Rusland bezocht en wiens woorden verbluffend actueel zijn. In zijn werk gewaagt hij enerzijds van een poëtische fascinatie: ‘Dit reusachtige rijk dat ik plotseling voor mij zie oprijzen in het oosten van Europa maakt op mij de indruk van een wederopstanding. Ik waan mij bij een volk uit het Oude Testament, en met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid houd ik stil aan de voeten van deze voorwereldlijke reus.’ Daarnaast huivert hij: ‘Rusland is een goed gesloten ketel vol kokend water op een steeds heter wordend vuur: ik ben bang dat die ketel zal ontploffen.’ Ik heb exact hetzelfde dubbele gevoel. Mijn Oekraïense vriend Aleksey Joedin, die mijn Russisch op peil houdt, vertaalt een gedicht van me (uit het Nederlands naar het Russisch) over de angst in het post-Beslan-tijdperk (Beslan is de naam van de plaats waar in 2004 de schoolgijzeling plaatsvond). De Russische versie van mijn verzen ontroert me: opeens sluipen er andere klanken in, als taalsluipschutters, beangstigend en ontroerend.
10 juni 2007
Ik verkleed me als Charon, de veerman die de doden over de Styx naar de Onderwereld brengt. Een wapperende mantel, een kap tegen de ijselijke wind op de rivier des doods, bemodderde blote voeten. In de verbeelding van de grimeuse heeft Charon korstige puisten op zijn gezicht. Ze mengt bijenwas met broodkruimels en sculpteert fistels op mijn wangen. In deze genadeloze vermomming wek ik een van de oudste verhalen tot leven in het jaarlijkse Sprookjesbos in Oudenaarde, georganiseerd door de school van mijn kinderen, die zelf ook meespelen: mijn dochter is een zigeunerin die opgegeten werd door een tijger, mijn zoon is een soldaat die bij een onvoorzichtige manoeuvre in de pan werd gehakt. Ik moet denken aan mijn leermeester Tadeusz Kantor, de Poolse theatermaker en beeldend kunstenaar (1915-1990). Zijn ‘Theater van de Dood’ was een cabaretesk Allerzielen en kende wereldwijd een gigantisch succes, maar ik ken ook mensen die bang waren om ernaar te kijken, omdat het de dood op een poëtische manier erg dichtbij bracht. Van Kantor genees ik niet. Tot mijn verbazing merk ik dat kinderen niet bang zijn voor een representatie van de dood. De grens tussen voor-stelling en stelling komt later.
18 juni 2007
Poetry International in Rotterdam heeft zijn focus gericht op de Kaukasus. Een van de dichters is Chouchanik Thamrazian, een jonge Armeense. Wat een adembenemende paradoxen beschrijft ze: Ik zag je als een vergeten; als een door vlinders gekneusd lichaam, als de betovering van hun rotting in de ogen van de poppen. Monsterlijk, bleek, je gezicht trillend, verstromend, instortend in je fruitige neerval.
Ik moet denken aan mijn verblijf in Armenië, twee jaar geleden. Uit mijn notities citeer ik de volgende alinea’s, in het vuur van het enthousiasme geschreven en later opgeborgen omdat ik Frank Westerman, die bezig was aan zijn boek Ararat, niet voor de voeten wilde lopen:
Van de gedroogde vrouwelijke cactusschildluis wordt karmijnzuur bereid, dat in de middeleeuwen als schrijfinkt werd gebruikt. In Jerevan kun je deze dode luizen of cochenillen zien liggen in een vitrinekast naast papyrus dat met hun lichaamssap is beschreven. Op de manuscripten wisselt karmijn af met goud, afkomstig uit de bergen die zich vlak achter de stad uitstrekken, op de tenen van de Kaukasus. Het is begin november. In het verre noorden blaast de herfststorm het laatste leven van de bomen en daalt een sombere nevel over het land. Hier, aan de zuidkant van de Kaukasus, begint de heldere koude van de hoogvlakte, waar de zon wat door de wind gegeseld is meteen weer zalft. Boven de bergen tintelt het rode stof als van een hoogoven, en als het sneeuwt verschijnt een puntige regenboog, waarin karmijn en goud elkaar afwisselen.
In de avondschemer bezoek ik in het centrum van Jerevan de reusachtige overdekte markt, waar vissen uit het meer van Sevan, kazen en vruchten worden verkocht. Ongeschoren, goedlachse boeren etalleren hun sappige waren op hun grote handen, snijden stukjes van vijgen en abrikozen en bieden ze de marktgangers aan. De granaatappel – ook karmijnrood, maar zonder tussenkomst van de cochenille – neemt een ereplaats in op de schappen. Hij ligt met opengesneden buik, waarin zich volgens de volkslegende exact 365 zaadjes bevinden, te wachten op een klant. Hem is de eer te beurt gevallen de vlag te mogen sieren als symbool van Armeense schoonheid en 365 dagen per jaar durende gastvrijheid.
Armenië is een zegen. Ik sla er oude boeken op na. In welke tijd wil je leven? vroeg Osip Mandelstam, een van de belangrijkste Russische dichters, in 1930 tijdens zijn acht maanden durende reis naar de Kaukasus, waarover hij later berichtte in 'Reis naar Armenië', zijn laatste publicatie voor hij in een stalinistisch kamp in Vladivostok verdween. Armenië, schreef hij, is een sabbatland, een Ultima Thule, waar het leven al duizenden jaren stilstaat, een oerland ergens aan de verst denkbare oostgrens van het avondland, een echo van een paradijs ook, dat lang geleden de thuishaven was van de geredde mensheid. Het landschap ziet eruit alsof God, dronken van zijn eigen schepping, hier vrijelijk heeft geëxperimenteerd.
11 juli 2007, Kizji-eiland in Ladogameer, Rusland
De tocht over het water is een reis door de tijd. Het is alsof ik vanaf het water, dat sinds heugenis geassocieerd wordt met de eeuwigheid, naar de langsglijdende tijd kijk, naar tijdvakken die allang voorbij zijn, naar werelden die bewoond worden door mensen die allang geleden zijn gestorven, maar hun zielen hangen hier nog rond. Griezelig en aantrekkelijk tegelijk. Sommige plaatsen maken zich op om hun duizendste verjaardag te vieren. In duizend jaar is hier niets veranderd. Het vee graast nog steeds op de weiden van het klooster. Opengesneden vissen liggen op primitieve marktkramen. De klokken luiden. De diepe bastonen van het koor weergalmen. Het goud van de koepels weerkaatst het zonlicht. De droeve moeder kijkt naar me vanaf de icoon. Het diagonale dwarsbalkje van het orthodoxe kruis wijst slechts twee mogelijkheden aan: of je gaat naar boven, hemelwaarts, of je gaat naar de hel.
De kerk in Kizji, een eiland in het Ladogameer tussen Petersburg en de poolcirkel, is gebouwd met espenhout in de vorm van een reusachtige kandelaar. Het hout heeft zijn natuurlijke kleur (neutraal grijsbruin): op die manier absorbeert het al het licht en verandert het dus voortdurend van kleur.
23 augustus 2007, Moskou (2de verjaardag van mijn vaders overlijden)
Vroeg ik me soms af waar Rusland lag, niet op de kaart maar in het echt, dan kwam ik uit aan de keukentafel in een Moskouse flat. Tal van Russische twintigste-eeuwse schrijvers hebben hun grootste werk aan de keukentafel geschreven. De keuken is in de piepkleine Russische flatwoningen de leefbaarste ruimte: de warmte van het komfoor blijft er lang hangen, het ruikt er altijd naar koriander en vanille, en je kunt er ’s nachts onder een peertje ongestoord in je eentje zitten. Huisgenoten snurken in een andere kamer op een slaapbank, en in het naar Stalins snor stinkende toilet met de blootgekapte poepbruine afvoerbuizen ritselt slechts nu en dan een kakkerlak. In die mengeling van kneuterigheid en walging is een aanzienlijk deel van de Russische literatuur geboren. Als ik me schuldig maak aan heimwee naar de wereld van de sovjets, komt het door de keukentafel. Lang leve de keukentafel.
Het mooiste en meest tragische voorbeeld van een keukentafelschrijver is dichteres Marina Tsvetajeva, maar ook Nadjezjda Mandelstam en Anna Achmatova gebruikten de keukentafel ’s nachts voor andere zaken dan het snijden van groentenhaksel.
11 september 2007, Auschwitz-Birkenau, Polen
Ik ben hier voor de vierde keer in mijn leven. Hoe vaker ik er kom, hoe meer het me terneerdrukt. Als je in Auschwitz onder de poort met de gruwelijke leuze ‘Arbeit macht frei’ loopt, kom je in barakken vol menselijke sporen: brillen, schoenen, koffers, tandenborstels, schoensmeer, prothesen, krukken, kinderkleren en haar. Vooral dat haar is ontstellend. Tientallen vierkante kilometers haar. Het stinkt. Er werden zakken van geweven, die op jute lijken. Verderop de gezichten, foto’s van alle gevangenen, hun verschrikte blikken. De kleedkamer. De douchezalen. De blikken potten met Zyklon-B. Later te voet naar Birkenau ofte Auschwitz II, twintig keer groter dan Auschwitz I. Tussen de twee kampen ligt een dorpje met enkele huizen. In de tuin een schommel, een terrastafeltje, bomen. Planten achter de ramen, een lamp in een kamer. In Birkenau een eindeloze reeks barakken. De dodenpoort. Het eindstation. De plaats van de selectie, bezaaid met kiezelsteentjes. Ik neem een kiezelsteentje mee in mijn zak. Als de poëzie ergens ophoudt, is het hier. Als ze ergens begint, is het eveneens hier.
14 september 2007, Krakow (Polen)
De eerste sneeuw valt in de Tatry, de laagste toppen van de westelijke Karpaten. Lezen wie niemand leest. Ik lees Anatoli Mariëngof, een ten onrechte geheel onbekend auteur. Over sneeuw: ‘De sneeuwstorm woedt niet in witte vlokjes koude watten, niet in snippers papier, niet in grinthageltjes, maar als een witte plensbui. De sneeuwvlagen over de stad, dat zijn de ongekamde grijzen plukken haar van een oude vrouw die op blote voeten over de sterren loopt.’
30 september 2007
De wereld die voorafgaat aan de poëzie. Osip Mandelstam zegt dat er al iets klinkt voor het gedicht ontstaat. Die pre-echo is het belangrijkste. Het gedicht kan niet anders dan eraan beantwoorden. Alsof er een platonische voorafbeelding bestaat, een idee van een hogere orde, iets bovennatuurlijks dus, of iets bovenmenselijks, of misschien iets goddelijks, of iets heel abstracts.
Poëzie heeft veel te maken met zwijgen. Dichters kunnen onverbeterlijke babbelaars zijn, zoals Joseph Brodsky of Hugo Claus, maar hun gedichten ontstaan uit een stilte. Die momenten van stilte kunnen gigantisch zijn, perfect verborgen kloven onder het dunne ijs van een gletsjer. Pratend val je in de stilte. Je valt uit je woorden. Ik leg de laatste hand aan mijn dichtbundel De vrijheid van zwijgen. Er is geen andere vorm van zingen dan zwijgen. De vrijheid van zwijgen betekent: ouden, boeken, doden. Adam Zagajewski, een groot Poolse dichter, schrijft: Wie spreekt, voegt weinig toe.
5 oktober 2007
30 jaar geleden stierf Jotie t’Hooft. Huldeavond in Oudenaarde. Ik realiseer me nu pas dat ik elke ochtend, op weg naar de school van mijn dochter, langs zijn graf rijd. Ik lees ‘Junkieverdriet’ voor, als een incantatie, gelijkmatig en sonoor, maar tegelijk met een adem die probeert de passie te bedwingen. Vreemde roes. Ik verlang naar een kleine ontroering blijf ik een mooie zin vinden. Ingrid, de weduwe van, is in de wolken. Denk terug aan de tijd toen ik zo oud was. Wie las ik? Claus, Pernath en t’Hooft. Wat schreef ik? Ik lees het opnieuw. Beeldspraak is geënt op dezelfde pijlers: verering voor de moeder, conflict met de vader (Oedipuscomplex); doodsdrift, gedrenkt in hallucinogenen en de roes van liefde en poëzie. Koketteren en revolteren deed ik niet; ik studeerde te graag. In de roes ontstonden lange reeksen nieuwe gedichten, soms veertig, vijftig per maand. Ze zijn nooit gepubliceerd. Nu liggen ze weer op mijn tafel: ikzelf, dertig jaar jonger, ongeschonden, naakt, onervaren, weerloos. En toch zijn het bolsters: ik kijk er voorzichtig in, bijna gegeneerd, terwijl het toch mijn leven is.
17 oktober, Gent
Ik houd een lezing in de gevangenis van Gent. Wat ik met de grootste tegenzin heb aanvaard, draait uit op een van de mooiste lezingen ooit. Onderwerp is Oost-Europa. De gevangenen, een tiental mannen en drie vrouwen, komen me vooraf een hand geven. Enkele mannen beginnen al een gesprek: waar ik vandaan kom, waarover ik zal praten, of ik weet dat… Sommigen zeggen zelfs waarom ze hier zitten. Ik ontvouw de geschiedenis van het IJzeren Gordijn, vertel over mijn eindeloze zwerftochten door Oost-Europa, tot Vladivostok. Een van hen vraagt me: ‘Waarom bent u zo gebrand op Oost-Europa?’ Een van mijn diep gemeende redenen is dat ik daar mensen heb, die ik zonder overdrijving beschouw als mijn voorzaten. Ze zijn intussen dood. Reizen wordt een bedevaart. Maar mijn nieuwsgierige gevangene heeft ook gelijk; nog voor ik een antwoord kan geven, zegt hij: ‘Het is Dostojevski, niet? Hij die in zijn boeken zelfs de moordenaar Svidrigajlov verdedigt!’ Ik schrik, slik, knik. Natuurlijk. Zijn ene oog lacht (zijn andere zit als bij een piraat achter een lap). De lezing loopt uit. Op het eind zegt een van de vrouwelijke cipiers: als u wilt, mag u hier blijven, we hebben nog enkele bedden over. Haar lach buldert door de gangen, tot in de cel van Svidrigajlov.
20 oktober, Antwerpen
Met Leonard Nolens voel ik me erg op mijn gemak. We drinken samen koffie, daarna bier. Ik lees hem. Ik schrijf zijn woorden op. Denk erover na. Hij leest mijn woorden. Op een dag krijg ik een e-mail, waarin hij zegt dat dit zijn tweede mail is. Zijn eerste was aan zijn uitgever gericht. Een dubbel gevoel: ik heb enkele handgeschreven brieven van hem, die ik een leven lang zal koesteren en die ik, als ik de wereld verlaat, aan mijn kinderen zal geven met de vraag er zorg voor te dragen, zoals mijn vader dat heeft gedaan met zijn dierbare dingen. Maar een e-mail: hoe bewaar je dat? Ik ontvang en verzend dagelijks tientallen, soms honderden e-mails, maar hoe bewaar je die twééde van Leonard Nolens? Kan iemand die vraag oplossen? Het lijkt me even absurd als een antwoord op de vraag, of ik het e-mailadres van een dode moet bewaren. Dat van Gerard Rasch (mijn mentor Pools), Freddy de Vree (mijn mentor bij de radio), Karel Verleyen (mijn oud-leraar), mijn eigen vader… In dit onvermogen schuilt een essentieel element, dat een hoge rang inneemt in de tabellen van de Poëzie.
2 november 2007, Zagreb
Writer in residence in Kroatië. Blij als een kind van acht. Ik heb net een bundel gedichten afgewerkt, waarin de spanning tussen de melancholie en het engagement centraal staat – een van de grote problemen van het schrijverschap. Nu werk ik aan een bundel, waarin ik een nieuwe spanning onderzoek: die tussen dementie en reislust. Mijn oude moeder leeft in Umnachtung: ik ga haar bezoeken en vertel haar over mijn reizen. Ik excuseer me omdat ik weer weg moet, maar ik beloof haar gauw terug te komen. Ze zegt: ‘Nee, nee,’ en dan ‘Ja, ja’. Als ik me omdraai, is ze mijn bezoek vergeten. Verlangen naar dementie = ik hoop dat ik op bepaalde momenten een zo intens contact met haar dolende geest kan hebben, dat we elkaar begrijpen. Zagreb is vol vernieling, dood, catastrofe, schoonheid. Soms zie ik haar hier! ‘Ja, ja!’
10 november 2007, Split
De poëzie van de oudheid en de poëzie van de vernieling. De poëzie van de symbolen. Diocletianus bouwde een burcht, deels ondergronds, om zijn Rome te beschermen tegen het opkomende christendom (wat men het ongeloof en het valse geloof noemde). Hij liet de nieuwlichters vierendelen en radbraken. Na zijn dood werd er op zijn burcht een kerk gebouwd. Ironie van de geschiedenis. Ik raak de stenen in de catacomben aan en neem de geheimen die ze dragen mee.
15 november 2007, Dubrovnik
De poëzie van de Zuid-Slavische wereld: de ontmoeting van de Antieken, de Slaven en de islam. Dit is een van de cruciale plaatsen om Europa echt te begrijpen. Ik praat er met iedereen over nationalisme en identiteit. Men vraagt me of het waar is wat men in de krant las: dat België zal worden gesplitst. Ik zeg: België is zo groot als een zandkorrel en men wil het met een bijl nog kleiner maken. De enige interessante en levensvatbare staatsvorm is een degelijke federatie, waarbij het centraal bestuur sterk is maar niet allesoverheersend, en waarbij de onderdelen zichzelf kunnen profileren zonder het geheel te versmachten. Het is zoals het talent van een groot acteur: het detail versus het geheel.
Het regent in Dubrovnik. Alle toeristen zijn weggevlucht. De stad is prachtig als ze leeg is. Ik moet denken aan Joseph Brodsky’s liefde voor Venetië in de winter.
Ik praat met de oude zieke Sehovic, een van de belangrijkste Kroatische schrijvers. Als ik hem vraag hoe hij de ‘Joegoslavische oorlog’ heeft ervaren, leeft hij helemaal op en zegt: ‘Dat waren de mooiste dagen van mijn leven!’
17 november 2007, op weg naar Mostar en Sarajevo
De poëzie die schuilt in de angst, geen spinnenangst, maar doodsangst, verminkingsangst, bunkerangst. Rijdend door Kroatië en Bosnië vind ik prachtige dorpjes, die tegen de heuvels aanliggen. De ramen zijn gebroken. De muren zitten vol granaatinslagen. De mensen zijn weggetrokken en nooit teruggekomen. De oorlog is niet veraf. Ik zou die dorpen willen binnengaan, maar een angst, die ik nog nooit eerder heb gevoeld, houdt me tegen. Hier liggen nog enkele duizenden mijnen.
20 november 2007, Dubrovnik
Waarvan is de wereld gemaakt? Van tranen, sterren en adem. Ik woon op de oever van de Adriatische Zee, op het snijpunt van drie werelden. De haven van Dubrovnik heeft elke dag een andere kleur. Tuigage rinkelt in de novemberwind. Boten dobberen. De stad is ommuurd, er zijn maar drie poorten. De aarde onder mijn voeten beeft op drie manieren. Eerst hoor ik de echo van de mediterrane wereld met het zangerige Grieks en het eeuwig zich vertakkende en ongrijpbare Latijn. Daarna hoor ik de kreten en de zondige gezangen van de joods-christelijke wereld, die zich uitdrukt in verschillende alfabetten, waarvan het cyrillisch het mooist, het spinachtigst is. Ten slotte hoor ik de onaardse lokroep en de mysteries van de islamitische wereld vol handelaars en hun donkerogige vrouwen die hun boerka’s allang hebben afgeworpen.
23 november 2007, Dubrovnik
Dubrovnik ontroert bij de eerste aanblik, wanneer ze bloot en honingkleurig in de zon ligt. Ook de tweede aanblik ontroert, als het regent en de bora, de noordelijke valwind, de stad los wil wrikken en tegen deze hoek van Europa slaat. Die bora heeft ongetwijfeld een ziel. Ik zoek de ziel van de storm: als de stroom het begeeft, als de laatste toeristen zijn weggevlucht, als het water zich kwistig en geil op de kade werpt. Ik hou van het zuigende, bijna hijgende geluid in de gaten in de putdeksels. Hoe meer ik het hoor, hoe meer het me doet denken aan menselijk zuchten. Alles is leeg, maar de stad is bezielder dan ooit. Ik zie hoe ze deel uitmaakt van de zee, niet andersom. Dit is geen stad aan het water, maar een stad in het water.
26 november 2007, Dubrovnik
In de bomen hangen limoenen, sinaasappels, vijgen, olijven, druiven en granaatappels. Een boer die wat Nederlands kent omdat zijn vrouw een Hollandse is, wijdt me in in de geheimen van de Kroatische wijn- en oliecultuur. Een oude poppenspeler die kinderboeken schrijft en dol is op talen (we spreken een mengeling van Latijn, Russisch, Pools en Frans) vertelt bloedstollende verhalen over het eiland Krk, waar het glagolitische alfabet ontstond, over de bereiding van inktvis, over de magische kracht van pruimenlikeur en over de reden waarom poppen nooit liegen.
27 november 2007, tussen Dubrovnik en Zagreb
Ik dool langs de Dalmatische kust. De bus is het probaatste vervoermiddel, al moet je je verzoenen met het feit dat de chauffeur soms halthoudt op een onbewoonde heuvel omdat hij er geen zin meer in heeft. Een halfuur lang gebeurt er niets. ‘Komt er nog wat van, chef?’ – ‘Ja, zo dadelijk.’ Ik hou van die man. De rit duurt heel lang. Als iemand zijn bestemming heeft bereikt, maakt hij een praatje met hem of haar (meestal haar), en wenst haar ‘een gelukkig leven’.
15 december 2007, Moskou
Het trappenhuis is zo treurig als een camera obscura, schreef een dichter ooit. Ergens hoor je iemands lichte tred en onscherpe echo’s. In de vensterbank slapen uitgeputte pamfletten. Ik kan het niet laten met mijn hand even over de afgeschilferde okeren muur te strijken. Ik probeer me in te beelden wie hier allemaal zijn langsgekomen in de loop van zestig, zeventig jaar, sinds het bouwjaar van de wijk, toen Stalin nog leefde. Afdrukken van handen lieten hier hun kleine geschiedenis achter. Sommige ken ik dank zij de keukentafels, waaraan ze zijn neergeschreven, vaak door vrouwen: Nadjezjda Mandelstam (de echtgenote van de dichter Osip), Anna Achmatova, Marina Tsvetajeva, Nina Berberova, Emma Gerstein... In hun memoires vertellen ze hoe ze zaten te wachten tot hun man, hun kind of zijzelf zouden worden opgepakt als de KGB weer een rondje arrestaties deed omdat er een boek van hen of van hun vrienden op de lijst van verboden bezittingen was gezet. ‘In de kamer van de verbannen dichter houden angst en Muze om beurten de wacht, en nadert de nacht die geen dageraad kent,’ dichtte Achmatova. Sommige van hen overleefden het tijdperk ‘waarin men op dichters schoot’, zoals Nina Berberova het verwoordde. De meesten vielen. Hun angstige stemmen echoën in trappenhuizen, die van Nadjezjda Mandelstam het hardst, omdat zij de verboden gedichten van haar man uit het hoofd leerde.
10 januari 2008, thuis
Ik sla Anna Achmatova open en lees haar verzen over. Zullen we ooit leren leven zoals dat zou moeten, met al het geluk, alle pijn en de opperste aandacht die de breekbare constructies van ons bestaan vereisen? Is het niet zo dat die alleen in boeken vorm krijgen, als ze in woorden zijn gegoten, als ze zijn omgevormd en eindelijk bestaansrecht genieten?
29 januari 2008, thuis
Andrej Tarkovski – 54 jaar oud, enkele dagen voor longkanker hem velt – zegt in 1986: ‘Een pessimist is een goed geïnformeerde optimist.’
Over Tarkovski’s films: het is de wanhoop van de agnost, overwonnen door de kunst.
22 februari 2008, Karelië
Zee en ijswoestijn. Eeuwige wind. Rotsen, sneeuwmodder, vulkanen. Lagunes. Verlaten mijnputten die naar een andere eeuw leiden. Zo zag de dood er vroeger uit. De aarde is doordrenkt met bloed. Geen hoek van Ruslands zeventien miljoen vierkante kilometer heeft de geschiedenis gespaard. De natuur herinnert het zich niet. ‘De verhalen weergalmen in mijn ziel als het gekrijs van de onheilsvogel,’ schreef dokter Tsjechov, de latere toneelauteur, toen hij in 1890 de strafkampen van Sachalin bezocht.
19 maart
Mijn demente moeder is jarig. Ze schrikt als ik het haar zeg. Weet je nog dit, weet je nog dat? Nee. ‘Ze kijken naar ons’, zegt ze, terwijl er niemand in het snelbuffet van het rusthuis is. Ze breit kromme zinnen en wil weten wat ik ervan vind. Ik zeg ‘ja’, en ‘het is niet erg’. Dat stelt haar gerust. Mijn zoon eet een ijsje. ‘Oooh’, zegt ze, en ‘pas op’. Later gaan zoon en ik winkelen. We willen bommen kopen, van die irritante leuke stinkerds die vuur spuwen en rook uitbraken. Terwijl ik betaal, zegt de radio dat Hugo Claus dood is. Een bom slaat in. Ik had die ochtend nog gedacht: hoe is het als je wakker wordt en je kunt de klok niet meer lezen? Zo…
20 maart
…was het Claus vergaan. Mijn moeder gaf Claus koffie, croque monsieurs en Rodenbach met grenadine, toen zij de artiestenfoyer van het ntg dreef en Claus daar geregeld over de vloer kwam. Zij bewaarde de champagnefles van het theater voor het geval Claus de Nobelprijs zou krijgen, want directeur Hugo van den Berghe was een intimus van Claus. ’s Avonds lees ik Claus voor de duizendste keer: dat mooie boek met ruitjespapier op het omslag en Claus’ handgeschreven titel: Gedichten. Ik was…
21 maart
…zestien en een fanatieke, inhalige christen op blote voeten en met een kruis van Taizé op mijn borst. De romige, rancuneuze pater die Grieks doceerde (en me stiekem aanbeval bij het priesterseminarie) stuurde me naar een academie voor voordrachtles. Die les werd gegeven door een schriele advocaat-in-spe met lang haar en een baard (hij had iets van Zeffirelli’s Jezus). Hij viste een glossy magazine uit zijn boekentas. ‘Ken je dit?’ vroeg hij. Het…
22 maart
…graf van Pernath stond erin, nog voor het in een boek was verschenen. Pernath was toen twee jaar dood. Claus? Zei me iets, niets dus. Pernath? Nooit van gehoord. Ik las het lange gedicht in één keer en leerde het uit het hoofd. Ik heb het mijn Griekse pater nooit durven zeggen, maar dankzij hem ben ik van de wulpse Claus gaan houden en ben ik van het geloof afgevallen. Exit de laatste seminarist. Claus’ woorden hypnotiseerden me: Met geknakte broekspijpen, uitgezakt, alsof je zat op een ijsvlak was geslipt, alsof je voor je laatste dans nog was geflipt? Nee, intact wil ik je…
23 maart
…wrak. Ik hield Claus staande in de foyer van het NTG en vroeg of hij mijn gedichten wilde lezen. Jaren later, toen ik in het NTG ging werken als assistent-dramaturg, regisseerde Claus er Blindeman, zijn Oedipus-bewerking. We zaten in de koude, stinkende zaal van de Gentse Cercle Artistique, waar men enkele dagen eerder de ratten had verjaagd. Ik rookte een pakje sigaretten per dag, Claus een veelvoud daarvan. Maar ik rookte menthol. Hij stal er af en toe een uit mijn pakje, terwijl hij schalks lachte. Hij had last van wintertenen, zei hij. Soms danste hij. Soms vertelde hij een mop in het Gents. We praatten over de Russische dichter Majakovski, die in zalen zo groot als voetbalstadions optrad…
24 maart
…en over Jevtoesjenko, met wie Claus kort tevoren was opgetreden in Vorst Nationaal op een van de legendarische Nachten van de Poëzie van enfant terrible Guido Lauwaert, met wie ik kerstkalkoenen had geplukt en retsina gedronken in zijn Theater de Bron. Claus kwam daar vaak met Freddy de Vree, voor wie ik later radioprogramma’s zou maken over… Majakovski. De dingen beschreven een cirkel. Het waren heerlijke, arrogante, goddeloze tijden. Claus had in mijn ogen…
25 maart
…een goddelijke status. Later, mijn jongetje, word je een man had Claus geschreven voor zijn zoon Thomas, die even oud is als ik. Toen ik eindelijk man werd – heel laat –, pleegde ik vadermoord. Claus was een blagueur, een praatjesmaker, een over het paard getilde provinciaal (maar ik hoopte wel dat hij de Nobelprijs zou krijgen). Claus had niets goeds geschreven (maar ik las, als het schrijven niet wilde lukken, stiekem de Oostakkerse gedichten), Claus was eigenlijk allang dood, als schrijver (maar als hij op de televisie, die toen nog aandacht had voor literatuur, verscheen, was ik aan het scherm…
26 maart
…gekluisterd). Liefde-haat, zo heet dat. Ik wist dat ik geen woord kon schrijven zonder aan zijn kritische blik te denken. Ik wist dat ik nooit zo van mijn taal had gehouden als hij me niet had geleerd wat je ermee kunt doen. En dan zijn grollen! In een restaurant na de vertoning van een voorstelling die ik had geregisseerd in het Antwerpse conservatorium. Claus’ Sonnetten waren op muziek gezet door Koen de Jonghe. Ik nam het gesproken deel voor mijn rekening. Toen de componist om een autogram vroeg, keek…
27 maart, Parijs
…Claus naar de partituur, vertrok hij zijn gezicht en vroeg hij de componist, omdat hij naar eigen zeggen ‘van de solfège geen jota snapte’, waar de laatste noot stond. De componist wees het hem. Claus pakte zijn pen en schreef: Eindelijk! Van harte, uw H. C. Niemand deed het hem na. Iedereen lachte. Hij schudde zijn land wakker, hij hield zijn volk een spiegel voor en het volk werd boos…
28 maart, Brussel
…maar je moet, zoals Gogol zei, de spiegel niet uitschelden als je een scheve tronie hebt. Vannacht, een stille nacht na een wilde avond op het Balkanfestival in Bozar, lees ik Claus: zijn gedichten, altijd weer zijn gedichten, en dan…
29 maart, Antwerpen
…groet ik hem een laatste keer: afscheidsritueel in de Bourla. Het katholieke ritueel is me, als elke Vlaming, erg vertrouwd, maar dit bewijst op een bevrijdende manier dat het ook anders kan. Ik geloof geen fluit, zegt Claus. Ik ben een atheïstische, religieuze agnosticus. God is Onzin. Alle dieren zijn broeders. Ik weet dat Claus lacht, achter zijn glas Johnny Walker, met de kardinaal, die te beroerd is om zijn naam te noemen in zijn homilie. Als hij ooit paus wordt, zal hij Claus prompt on-heilig verklaren en een plaats in de hel toewijzen. Ik verdiep me in uitvindingen: toen de Kerk niet wist wat te doen met de Griekse filosofen, vroeg de paus aan Dante om het vagevuur uit te vinden. Finita la commedia. Om vijf uur is het koud en donker in Vlaanderen. Iedereen heeft wintertenen. Ik verlang naar een menthol. Vaarwel, meester.
1 april, Parijs
Ik vraag aan de Palestijnse dichter Nazjwan Darwisj, met wie ik voor een Belgisch-Palestijns uitwisselingsprogramma een tijdlang optrek, welk soort poëzie hij schrijft. We lopen in een drukke Parijse straat. Hij laat me zijn eigen poëziekrant zien, bladzij voor bladzij, van achteren naar voren, helemaal in het Arabisch, dat ik niet kan lezen. We lopen door rood. ‘Bestaan er dan verschillende soorten poëzie?’ antwoordt hij. Ik dacht dat hij op alle slakken zout wilde leggen, omdat hij alles altijd tot in de kleinste details wil kennen, maar nu gedraag ik me alsof ik een kei het vel wil afstropen. Zijn vraag houdt me wekenlang in de ban.
19 april
Grenswaarde is een woord met diverse betekenissen. Ik voeg er een aan toe. In de algebra is een grenswaarde een standvastige waarde, waartoe een veranderlijke waarde zo dicht mogelijk kan naderen, maar waaraan ze nooit gelijk kan worden. Als kind was ik gefascineerd door de extreem onwiskundige stelling dat je geen getal kon bedenken dat het laatste was voor de nul, je kon achter de komma immers altijd iets toevoegen. Het betekende dat een deur nooit helemaal dicht kon zijn, ook als ze helemaal dicht was. In de economie is een grenswaarde de subjectieve waarde van enig goed, bepaald door het hoogste nut in verband met de beschikbare hoeveelheid. Dat is evident: in onze maatschappij is een sinaasappel een banaliteit, maar in de Sovjetunie was een sinaasappel een schaarsteproduct. De grenswaarde van de sinaasappel was dus veel hoger. Ik voeg er een poëtische betekenis aan toe. Er is een kern die je kunt benaderen, maar nooit raken. Zonder die kern is er geen benadering. Zonder benadering is er geen poëzie. De kern heet grenswaarde. Zij bepaalt je blik. Wie een gedicht leest, komt in de buurt van de grenswaarde. De grenswaarde is iets heiligs. Ze bepaalt de koers van je leven, ze kan de koers ook veranderen.
24 april
Een uitspraak van een van de grootste schrijvers van ons continent, de homo poeticus Danilo Kis. Zijn raad aan een auteur: ‘Geloof niet in statistieken, in cijfers, in officiële uitspraken: de werkelijkheid is wat je met het blote oog niet ziet.’ Ik begin te geloven dat Nazjwan Darwisj gelijk heeft als hij zegt dat er maar één soort poëzie bestaat. Na het lezen van de poëtica’s van Eliot, Van Ostaijen, Paz, Milosz, Kis, Heaney…� raak ik er almaar meer van overtuigd. Maar het aantal dichters daarentegen is onnoemelijk. Poëzie is wat overblijft nadat je alles hebt weggegooid. Wie poëzie niet kan appreciëren, heeft nooit iets weggegooid. Wie de kunst en de pijn van het weggooien kent, is loslopend wild voor de godin van de poëzie.
27 april
Op een toneel dat ijzige kou suggereert, verschijnen drie naakte figuren. Ze bewegen zich in een bevroren, agnostische wereld: de ijstijd lang na de laatste opwarming van de aarde, de ultieme fase van de aardglobe, daarna dooft de zon en zal het weer miljoenen millennia duren voor een amfibie hersens krijgt en stelsels groeien onder een andere brandende ster. Op het toneel staan de laatste mensen. Of de eerste. Ze houden zich bezig met charade, een kinderlijk spel waarbij iemand iets uitbeeldt en een ander moet raden wie of wat het is. Lompen en doden staan op en spreken voor een lege wereld. Ik word op tijd wakker, en een van Szymborska’s recentste gedichten (‘De afschuwelijke droom van een dichter’) schiet door mijn hoofd: ‘Geef toe, dat niets ergers / een dichter kan overkomen. / Waarna er niets beters op zit / dan snel wakker te worden.’ Waarom, goede mevrouw Szymborska, komt zo’n droom dan telkens terug? Sommige mensen behouden de hang naar catastrofisme uit hun jeugd, ook als ze zichtbaar en onherroepelijk ouder worden. De ruïne van het paradijs is aantrekkelijker dan het paradijs. Flaubert: Le bonheur se raconte mal.
7 mei, Kiev
Machtige rivieren hebben het gezicht van de aarde doorsneden. De Dnjepr, de rivier van het Noorden, breekt het continent in tweeën. Op de oevers streken krankzinnige monniken, dolende vorsten, machtswellustelingen en vechtlustige broers neer. Waar ze een kruis in de grond plantten, zou een kerk verrijzen. Waar de kerk verrees, zou een staat ontstaan. Ze groeven holen in de klei, begroeven er hun dierbaren. Een onverklaarbare lucht bewaarde de dode lichamen, mummificeerde ze. Eeuwen later zinken mensen op de knieën, huilen ze, kussen ze de evenbeelden van hun god. Ik luister naar de lijzige poëzie van hun gebeden.
Hier zijn de holen van Oost-Europa. Hier begint de geschiedenis van een ander Europa. Toen ik hier voor het eerst kwam, was ik nog een tiener. Ik wist niet wat verlies betekende, of duurzaamheid, of het diepe besef van de onbenulligheid in de geschiedenis en van de geschiedenis in het onbenullige individu.
11 mei, Sebastopol
De Zwarte Zee (die Griekse dichters de Gastvrije noemden) is zo vlak als het land waar ik vandaan kom. ’s Winters is ze zwart als de tulpen die in de vissersdorpen van Cherson worden gekweekt. In de koude lente is ze loodgrijs. Erboven spiralende wolken. De wind is ijzig en heet. Meeuwen vliegen voor de boot uit, alsof hun soort zich heeft voorgenomen om na Odysseus’ omzwervingen geen enkele mens nog zonder begeleiding in dit gevaarlijke deel van de wereld te laten komen.
’s Avonds: de onnavolgbare kitsch van het orkest van de sovjetmarine, in al zijn glorie te bewonderen in een aftands theater in Sebastopol, tussen de monumenten van eeuwenlange oorlogen. Op de gecraqueleerde glans van de sovjettijd, die de wanden van de zaal weerspiegelt, heeft men een nieuwe lak gespoten, de lak van de ongegeneerde kwetsbaarheid. Kitsch is nooit vrijblijvend. Maar wees voorzichtig! De uitvoerders van de kitsch weten namelijk nog niet welke meester ze dienen. Ze verkeren tot nader order in de waan dat het de ernst is. Als de poëzie ergens een kartelige, vochtige onderkant heeft, dan is het hier.
13 mei, Jalta
Een lenteavond op het strand van Jalta. Jalta heeft geen strand. Ik loop uren door de steile straatjes, over de kade en de promenade, in de tuin van Anton Tsjechov, die hier zijn laatste vijf levensjaren sleet in een zelf ontworpen hagelwit huis. Het strand: een betonnen kade, roestige trappen, dikke ronde keien. Het water, dat tegen de dijkjes van de keien slaat, is warm, prikkelend, zout, zacht. Ik smeer er mijn huid mee in. Stenen huizen met houten veranda’s hangen voorovergebogen over de kade. In de straatbars huilt een man door een luidspreker. Een boeddhabeeldje is met veelkeurige rozen behangen. Meisjes met lange naakte benen boven naaldhakken kijken me landerig na. Ik zing Lermontov. Ik ga zitten op een verweerde trap vlak bij een boot, rood van de roest. De Sport Bar, een buitencafé met veel plastic die als een pier een eind de zee inloopt, lijkt definitief gesloten, sinds vele jaren. De zon valt op de witte huizen met oranje daken in de bergen, die boven de stad uittorenen.
15 mei, Odessa
Het schiereiland van de Krim is een afgebroken stuk koek. Wie langs de kust vaart, wordt geconfronteerd met honderden kilometers lange roodgele rotswanden, en ergens op de onherbergzame hoogte liggen gehuchten, blokken, masten, schoorstenen, soms stadjes of blikkerende huizen van nieuwe rijken. De schipbreukeling wacht geen zachte stranden en gastvrije vissers, maar een steile rotsmuur, monsterlijk en tegelijk mooi in het licht van de op- of ondergaande zon. In een hoek achter granieten pieken zaten de nucleaire onderzeeërs van de Sovjet-Unie verborgen. Men zegt dat de rots van Balaklava, tussen Foros en Sebastopol, daarom hol is.
Later zet het schip koers naar Odessa, dwars door de woelige Gastvrije Zee. In mijn kajuit is het als in het ruim van een piratenschip: alle voorwerpen schuiven langzaam van links naar rechts en terug, de hele nacht lang. Ik verschans me onder mijn leeslampje en verdiep me in Paustovski’s verhalen over lichtgevende bacteriën, die op gezette tijden aan het zeeoppervlak verschijnen en de indruk wekken dat de zee van onderuit verlicht wordt. Als ik naar buiten kijk, blijft alles helaas donker. Dolfijnen die meehuilen met eenzame geliefden zijn er evenmin.
20 mei, idem
In Odessa vloeien alle landen samen. Odessa is alles wat ik zoek: tegelijk antiek en bruisend, modern, kosmopolitisch; door en door Slavisch, maar evenzeer Europees, joods, Oosters, Grieks; tegelijk heel oud en heel jong; gettoblasters en loeiharde rockconcerten, maar ook Italiaanse opera en een schrijver op elke hoek van de straat; kranige oude vrouwen en jonge verleidsters; een traditie van banditisme, maar banditisme met een beleefdheidscode en met elegantie; opera en cabaret; revolutionairen en behoudsgezinden; muitende matrozen en trotse tsarina’s; melkboeren uit de kolchozen van de steppe op de oever van de limans, maar ook de chicste boetieks; fier, oorverdovend klokgelui, maar ook bruiloften in krochten onder eeuwenoude, wonderen brengende iconen; Tsjernihivske bier, maar ook droge champagne, gemaakt van druiven op de eeuwig zonnige vlakte. Het is een stad waarin ik op elk moment van haar geschiedenis als een gretige zwerver even zou willen verblijven, om haar telkens met pijn in het hart te verlaten. Van alle steden in de Oost-Slavische wereld is dit de mooiste. Alleen Sint-Petersburg is een geduchte concurrent, maar Odessa is minder behaagziek en vooral veel warmer. Anatoli, rond als een chef-kok uit een Brussels restaurant, is een geboren Odessiet en spreekt vloeiend Italiaans, omdat hij vaak in Italië kwam, maar de poëzie van Odessa gaat voor hem zelfs boven elke Italiaanse stad. Zijn buik is zo rond als die van de sprookjesdichter Ivan Krylov.