De vrijheid van zwijgen
Gedichten
Poëziecentrum Gent, 2008

De vrijheid van zwijgen is de derde dichtbundel van Johan de Boose.
Liefde, verlies en verwachting in het dagelijkse leven staan tegenover angst voor het grote gebeuren, politiek en oorlog. Een groot deel van zijn ervaringen deed Johan de Boose op in Oost-Europa, in het continent met de geamputeerde ziel. Daar is alles scherper, maar tegelijk nog veel complexer dan hij ooit had gedacht.
Hij luistert naar zijn dode vader en naar de meesters die in zijn hoofd en hart wonen. Het liefst zou de dichter willen zwijgen, maar de woorden ontsnappen uit zijn mond en verbazen zich over hun betekenis. Ze verontschuldigen zich omdat ze de stilte verbraken.
Czeslaw Milosz schreef:
‘Ik werd verscheurd tussen twee polen: de stille beschouwing van een onbeweeglijk punt, en het gebod tot actieve deelname aan de geschiedenis.’
Seamus Heaney, een intimus van Milosz, voegde hieraan toe:
‘Ik denk dat elke kunstenaar zich gevangen zal voelen in die tegenstelling tussen enerzijds het appel aan de absolute stilte van het volmaakte kunstwerk, en anderzijds de verantwoordelijkheid voor de totale rotzooi in de maatschappij.’
Die verscheurdheid vormt de belangrijkste inspiratiebron van De vrijheid van zwijgen.
Peter Verhelst over Wegen naar Insomnia:
‘Vol tederheid en razernij. Vol bloed en woede. Een boek dat voor je gaat staan en zijn kleren openrukt. Ongeschoren, ongewassen. Onmodieus romantisch. Bevlogen.’
Nausicaä Marbe in Vrij Nederland over Alle dromen van de wereld:
‘Dat hij een begaafd romancier en dichter, slavist en journalist is, komt goed van pas. Alleen al vanwege de stijl is zijn werk een literaire traktatie.’
Kurt van Eeghem op Radio 1 over Noem het middernacht:
‘Prachtig on-Vlaams!’
GEDICHTEN UIT DEZE BUNDEL
Duizend mijlen reizen met voeten
Van glas en zwijgend als een monnik
Tot diep in de oude oude eeuw.
De grenzen van een onecht rijk
Afpassen, hier en daar een paal
Slaan, talen horen sterven.
Slapen in de erker van een stolp,
Weten dat de akkers branden,
Dat het bloed kniediep staat
In het slachthuis.
Ontwaken in de zuiverende kou.
Het glas breken. Je voeten wassen
In de Zwarte Zee.
Тысячи вёрст пройти безмолвно, как монах,
Под звон стеклянных ног,
До глубины веков.
Края несуществующего царства
Шагами измерять, столбить границы, слышать,
Как гибнут языки.
Спать в эркере столпа,
Знать, что поля горят,
Что в бойне по колено крови.
И пробудиться в чистоте мороза.
Разбить стекло. И вымыть ноги
В Чёрном Море.
(vertaling naar het Russisch: Aleksej Joedin)
------------------------------------------------------
Niemand hoort het graag: dat dit als sterven is
Maar in de vorm van een geboorte.
Je verlaat het ene weefsel voor een ander,
Een engte voor een ruimte, warmte voor pijn.
Je verlaat het, gaat alleen, je gaan is als zingen,
Er is geen ander heenkomen dan het gaan,
Geen andere vorm van zingen
dan zwijgen.
De vrijheid van zwijgen:
Ouden, boeken, doden.
Wie spreekt, voegt weinig toe.
------------------------------------------------------
Wij gaan een heuvel op. Zo blijven wij,
Zo blijft het gaan: een heuvel op
In weer en wind, en iemand die ons ziet
Op afstand in een dal en wuift
En met de armen wiekt om mee
Te vliegen, maar de heuvel kun je
Niet veroveren dan stapvoets
Bloedend en alleen.
Wij gaan een heuvel op en jaren
Klimmen. Afgrond houden wij
Te vriend. Bij helder weer zien wij
De top, men zegt dat niemand
Hem bereikt, alleen wie springt
Naar wie beneden op ons lijkt.
------------------------------------------------------
Twee handen op een blad. Een tafel
Waaide me toe, haar geur, haar overeenkomst
Met een boom, haar opgehouden bloeden.
Wat haar met mijn hand verbindt:
Schemer, hars, secreet,
Het roerloze als doel.
Wat zij zich herinnert:
Een sprokkelmaand, laag licht,
Een donzig, drachtig lichaam,
Een voorwerp dat leert spreken,
Een stam die zwelt,
Ringen, getokkel, twijgen.
Twee handen en hun doorslag
Op het blad. Wat kwam eerst:
Woord of worm of hout?
------------------------------------------------------
Na elke bocht verandert wat ik wist.
Ik dacht, ik ken het landschap maar
Hoe het zich verwijdert. (Er is iets met het licht.)
*
Ik weet, het zijn de groeven in mijn lichaam.
Het zijn verwensingen van lieverlee
Niet te vermijden. (Afzien van schoonheid.)
*
Reizend heb ik een geduldig lijnenlabyrint
Getekend. Het is de schets van een gezicht,
Mij welbekend. (Een spiegelschrift.)
*
Ik blijf vertrekken en verdwalen. Het is
Nooit af. Sta toe dat anderen gaan baden
In de volgelopen holten. (Waken in liefde.)
Copyright: Johan de Boose en uitgeverij Poëziecentrum