Johan de Boose

Over Willem van Zadelhoff

Rede uitgesproken op de presentatie van de dichtbundel "Tijd en landen"


Hunker naar lucht en licht. Het onwaarschijnlijke tot iets wenselijks maken. Kijken hoe de werkelijkheid door de illusie kiert, en vice versa. Het zijn de verleidelijke obsessies die we kennen uit het proza van deze zoon van een uitgetreden priester en een stukadoorsdochter uit Arnhem, Willem van Zadelhoff, proza dat zich opvallend aandiende onder de titels Een stoel en Holle haven.

Nu ziet zijn poëzie het licht, nu krijgt zijn poëzie lucht, nu krijgen wij lucht van zijn poëzie en zien het licht kieren in een bizarre duistere wereld, die verleidelijk eng en tegelijk bij vlagen beangstigend mooi is.

Tijd en landen is de sobere en tegelijk alomvattende titel van deze bundeling gedichten.

Voor deze dichter kan, zoals indertijd voor Rainer Maria Rilke, al het ondermaanse aanleiding zijn tot een gedicht. Zijn blik is een bijzonder soort filter, dat de beelden die hij vangt tegelijk liefdevol en ironisch, warm maar soms ook vloekend vormt en vervormt. Het vormen is de eerste noodzaak van de dichter: hij kneedt, schildert met zijn taal; het vervormen is niets surrealistisch (al zou het dat kunnen worden), het is vooral een manier om lagen aan te brengen, dimensies te creëren, het schijnbaar eenvoudige (soms even schijnbaar eenvoudig als bij Wislawa Szymborska) een afgrondelijke diepte te geven, zodat je als aan hoogtevrees lijdende lezer (dwz élke lezer) duizelt. Een duizeling die prettig is, verslavend zelfs, maar toch een duizeling, dus niet ongevaarlijk. Geen enkel goed gedicht is helemaal ongevaarlijk. Het tast altijd iets aan: in de eerste plaats de zogezegde getrapte orde, het al te makkelijke, de sleet, de gedragscode van de taal.

Deze dichter is dus een goede anarchist, een beeldenscheppende beeldenstormer die niet toestaat dat de dingen zich in een hiërarchische orde aan de taal presenteren, integendeel, alles is gelijkwaardig. Dat is post-modern, maar het is nog veel meer, het is niet populistisch en niet intellectualistisch, het is veel meer, het is goede literatuur.

Het doel, overmoedig en machteloos in één adem, is de dingen te behoeden voor vergetelheid, dingen die je eigenlijk niet kunt beschrijven en die je je niet kunt herinneren, maar die ondanks alles zijn zoals het zou moeten zijn, als ‘een dianegatief / een spiegelbeeld van hoe (het) was’. Prachtige paradoxen van een mens, die niet meer is dan ‘een riet’, maar dan ‘een denkend riet’. Wij trillen en wij zijn kwetsbaar, maar toch staan wij trots rechtop, zelfs als de samoén eraan komt, die hete droge tropische wind die alle herinneringen dreigt weg te blazen. Later, als veel dichters zijn weggeblazen door de samoen van de tijd, zal Willem van Zadelhoff nog steeds overeind staan. Want denkend riet vergaat niet.

De bundel Tijd en landen bevat 5 afdelingen, zonder overkoepelende titel. Ik heb geprobeerd, in bewondering en bescheidenheid, er een eenheid in te vinden, een fil rouge, het geheim van de bedrading te achterhalen. Ik weet niet of ik daarin slaag, maar het niet weten en het mogelijk mislukken is deel van het savoureren en van het genot.

In de eerste afdeling figureert een kind, ik neem aan: het kind. De kindertijd is een verzameling zintuiglijke herinneringen, waarbij de taal zich moeiteloos hult in het jonge jongenslichaam, dat opkijkt naar de behoedende, koortskoelende ‘mama’, de ‘opa’ met zijn oorlog, de ‘oom’ en het circus vol te pletter stortende acrobaten, de ‘hond’ (het voorwerp van bevlogen liefde) die zelfs na zijn dood blijft bestaan in de taal als de boodschapper (die zijn boodschappen blaffend boodschapt) van wat ‘niet meer is’. In dat kinderlijke universum staan alle zintuigen op scherp. Wat je je herinnert, is datgene wat je vingers, je neus, je oren, je blik, je tong weten. Wat weten wij anders dan wat de zintuigen ons geven? (Ik hoor de echo van Proust.)

Aan het eind van de eerste cyclus gedraagt de taal zich ontregeld, en de poëzielezer die van ontregeling houdt (en dat is volgens mij elke poëzielezer), is op dit moment al helemaal in de ban van het verhaal, dat de dichter wil vertellen. Zaak is, het verhaal tot het einde toe te kennen. Verbazend en bewonderenswaardig is, hoe de dichter met zijn gedepouilleerde, blote en schokkerige taal dit verhaal opbouwt. Daarbij weet de lezer dat hij het nooit helemààl zal kennen. Ignorabimus, hoe meer wij willen weten, hoe minder wij te weten zullen komen. Het gaat in tegen de stortvloed aan krimi’s op ons beeldbuis, waarin àlles àltijd helemààl opgelost wordt. In de poëzie druist de oplossing altijd in tegen alle denkbare oplossingen.

In de tweede afdeling verschijnen landschappen (of onderdelen van landschappen). Het is de afdeling met het grootste gehalte aan intertekstualiteit, verwijzingen naar heel diverse bewoners van de werkkamer van de dichter: Ponge, Rimbaud en Bernhard, Rietveld, Freud en Nabokov, narren, koningen, gevallen helden, Hamlet, Lear, Oidipoes, Prometheus en zelfs Jan Decorte. Het is een wereld vol naïeve wreedheid, absurde waanzin, waarbij de lezer soms in een schrikwekkende leegte wordt geworpen, en dan weer wordt getroost met illusies, beelden, kunst, woorden, en bijvoorbeeld architectuur, die niets anders is dan het ‘sproeien van leven over dode materie’.

De derde afdeling biedt liefdeslyriek, waarbij ook hier de taal diverse vermommingen aanneemt of uit de mond van onverwachte, soms geestige soms tragische figuren ontsnapt. De tamil-rozenverkoper is een ontroerend voorbeeld. Het bizarre van de opgeroepen liefdes is niet dat de dichter soms achterom kijkt (dat is normaal bij liefdes), maar dat hij ook soms ‘achteruit loopt’, en dit achteruitlopen wordt door de dichter op een bepaald moment zelfs met de grootste verwondering waargenomen, alsof sommige dingen zich voordoen ondanks de logica, ondanks het bewustzijn. Zoiets is alleen mogelijk in een gedicht. Deze liefdeslyriek is een encyclopedie; je vindt er alle categorieën; ik noem er enkele: het weerbarstige, het verwonderde, het ijdele, het aarzelende, het onbeschrijflijke (zelfs het onbeschrijflijke, de meest gewaagde categorie voor een dichter, omdat hij hiermee op de grenzen van zijn kunnen balanceert), verder ook nog het dierbare, het herinnerde, het verlorene, het ongrijpbare, het ‘niet meer bang’, het ‘nooit zeer doen’, het ‘alles overstijgen’, het ‘zonder weerga’, het ‘weet je het niet meer’…

De vierde cyclus keert terug, volgens mijn observatie, naar de biotoop van de dichter, dat is te zeggen naar het privébestaan, naar een plaats ‘waar andere wetten heersen’. Het lijkt, maar dat mag ik niet beoordelen, alsof de liefde hier is uitgespeeld, alsof er een categorie is die de liefde misschien wel overstijgt, al heeft die (alweer) iets afgrondelijks, maar niet noodzakelijk iets tragisch. Het is een wereld van opnieuw beginnen, van introspectie, van het zoeken en van het koesteren van het zoeken,… Merkwaardig: de lezer vindt bijwijlen troost, maar wordt dan weer geconfronteerd met kieren van machteloosheid.

De vijfde afdeling is een verrassing, maar ook weer niet, want hier verschijnt het titelgedicht ‘Tijd en landen’, wat de lezer eraan herinnert dat er grote draden doorheen dit boek lopen, en dat we vanaf het begin van de lectuur al een hele reis hebben afgelegd. Het idee van taal als een reis komt van de Russische dichter Osip Mandelstam, die vond dat het uitspreken van elk woord een ‘enorme reis’ inhoudt en dat je bij het lezen van een gedicht midden in het woord wordt wakkergeschud. Bij Willem van Zadelhoff is dat zonder meer het geval, maar in de laatste cyclus voegt hij daar een heel bijzondere reeks letterlijke reizen aan toe (wat mij als auteur die gebiologeerd is door het fenomeen reizen op mijn gevoeligste plek raakt). In deze laatste cyclus wordt de lezer namelijk opnieuw ondergedompeld in een zinnelijke, zintuiglijke wereld (vol herinneringen aan de kinderlijke wonden), maar dit gebeurt op plaatsen waar iets aan de hand is. Dit is misschien het wonderlijkste aspect van deze bundel: gelukkig, uiteraard, is er iets aan de hand. Wat? De dingen die zich nu hier en vandaag aan me voordoen vallen samen met dingen uit het verleden, de tijd wordt gecomprimeerd (dat kan alleen in poëzie), de poëzie is een geweldige versneller van het bewustzijn (zoals Joseph Brodsky zei), waarbij alles wat zich in totaal verschillende tijden heeft afgespeeld wordt samengedrukt in een bedrieglijk eenvoudig gedicht van enkele regels, die geen hoofdletters of leestekens meer nodig hebben om de ademhaling van de dichter te ritmeren. Wat een wonderlijke, prachtige, ontregelende manier van denken is poëzie toch.

Johan de Boose

Antwerpen, 9 april 2008