Johan de Boose

De witte engel en een potje Poolse aarde

Is Wojtyla het prototype van de Poolse cultuur?

Deze tekst verscheen eerder in De Morgen en Vrij Nederland.

Enkele minuten na Wojtyla’s dood prijkte op de website van een belangrijk Pools dagblad een foto van een peinzende paus, als een sculptuur van Rodin, witgerokt en uitgerust met een sierlijke scepter. Tegelijkertijd werden door alle Poolse media rouwberichten geüpload, zodat de wereld kennis kon nemen van het belangrijkste sterfgeval in de Poolse geschiedenis. Buitenlandse media deden natuurlijk hetzelfde. De New York Times had zelfs een slide show geconstrueerd. Iedereen had het over Wojtyla’s anti-communisme, zijn toenadering tot andere religies en zijn vastberadenheid, maar wat opviel in de Poolse pers was dat zij bulkte van literaire citaten.
Mijn obsessie met Polen is toevallig even oud als Wojtyla’s pontificaat, en zij is goeddeels literair geïnspireerd. Een van de dichters in mijn Poolse bibliotheek zit onder de ‘W’, hoewel het omslag als auteur Jan Pawel II vermeldt.

Als ik terugkijk op de positie van de paus in Polen, kom ik tot de conclusie, dat Wojtyla als prototype van de Poolse cultuur kan worden beschouwd. De massahysterie na Wojtyla’s dood bewijst dat het volk al wat het als typisch Pools, dat wil zeggen als ideaal Pools wil zien, op hem projecteert: Wojtyla is tegelijk vader, zoon en heilige geest, al heiligverklaard tijdens zijn leven, in één woord de perfecte Pool.
Aan de hand van Wojtyla’s laatste dichtbundel, ‘Romeinse triptiek’, valt een lijst van thema’s samen te stellen, die moeiteloos terug te vinden zijn in de Poolse literaire productie van de laatste tweehonderd jaar. Als het waar is dat een summum altijd meer is dan de optelsom van de onderdelen, is ‘Pools-zijn’ het summum van Wojtyla’s thema’s. Althans: het ideale Pools-zijn.
Vooraf deze notendop. Polen groeide na de middeleeuwen uit tot het grootste land van Europa. Het omsloot gebieden die ook Russisch, Litouws, Wit-Russisch, Pruisisch en Oekraïens waren. Polens fatale zwakte was dat lokale vorsten zich boven de koning verheven voelden en regeerden als alleenheersers van kleine rijkjes. Aan het eind van de achttiende eeuw maakten de buurstaten van dit gebrek aan cohesie gebruik en ze verdeelden het land onder elkaar, waardoor Polen gedurende 123 jaar van de kaart verdween. In 1918 ontstond een nieuw Polen. Al die tijd waren er twee (verboden!) elementen die het geknechte volk samenbonden: taal en religie. Zij vormden het cement van de onbestaande natie. De fanatieke taalliefde en godsvrucht van de Polen zijn helemaal te verklaren vanuit dat collectieve trauma, want, zoals Andrzej Szczypiorski ironisch schreef: ‘Polen is voor de Polen het middelpunt van de aarde, omdat God hier met Zijn wijsvinger de kring van de zin van het mensenleven tekende.’

Het woord
‘Het geheim van het begin wordt samen met het woord geboren.’ (Karol Wojtyla)

Wojtyla maakte van zijn instrument een thema en verwees als dichter naar zijn voorbeelden: Mickiewicz, die een verklaring zocht voor Gods onverschilligheid tegenover de lijdende mens, Slowacki, die een ‘Slavische paus’ aankondigde, en Sienkiewicz – auteurs die Wojtyla als knaap al verslond en waarvan wij, bewoners van de koele lage landen, de betekenis die de Polen eraan hechten bij lange na niet kunnen vatten.
Het woord van de voorgangers is een snoer dat de Poolse geschiedenis verenigt. Aan de ene kant reikt het tot ver in het verleden, aan de andere kant biedt het een troostend houvast voor de toekomst. Taal als ‘vaderland’, zoals Czeslaw Milosz schreef. Een oud vers is in de Poolse cultuur nooit fossiel, maar vitaal, zoals Wojtyla’s jeugdvriend, de regisseur Kotlarczyk, hem onder de toneelles leerde. Onder de fascistische en de communistische dictatuur wisten de Polen hun taal zo te raffineren, dat ze als wapen diende. De typisch ‘westerse’ opmerking van Philip Roth, dat als alle Amerikaanse schrijvers bij een vliegramp zouden omkomen, niemand het zou merken, is in de Poolse context ondenkbaar. In Polen wordt er nog gehuild als een dichter sterft.
Onder het communisme kreeg het woord zelfs een explosief karakter. Tadeusz Konwicki getuigde op het hoogtepunt van de dictatuur: ‘Wij leven in een panische angst voor het woord. Het woord jaagt de partij schrik aan en spookt in de onvoldoende gecontroleerde dromen van de burgers. Maar het allerergste is het geschreven woord.’
Angst, door Milosz de hoofdbewoner van het twintigste-eeuwse Europa genoemd, had ook Wojtyla in zijn jeugd aan den lijve ondervonden. Hij wist hoe angstwekkend en machtig het woord kon zijn. In het sovjetimperium kon één woord iemand zijn kop kosten.
Het gelijkstellen van het woord met het denken heeft in Polen ook een joodse achtergrond - niet verwonderlijk in een land waar ooit tachtig procent van alle joden woonde. Bruno Schulz schreef: ‘Gewoonlijk houden we het woord voor de afschaduwing van de werkelijkheid. Juister is het omgekeerde: de werkelijkheid is de afschaduwing van het woord. Filosofie is filologie, een diepgaand onderzoek van het woord.’

Het beeld
‘Hij zag, hij vond het spoor van zijn Bestaan terug – hij vond zijn eigen weerschijn in al wat zichtbaar was.’(Karol Wojtyla)

In de Poolse literatuur heeft het beeld altijd een mythische beladenheid. Het door alle grote kunstenaars gebruikte toonbeeld van trots en soevereiniteit was (en is) de maarschalk op het witte paard. Die maarschalk is Jozef Pilsudski, de officier die Polen in 1918 opnieuw op de wereldkaart zette. Wojtyla’s vader had in Pilsudski’s leger gediend en Karols tweede naam luidde Jozef. De icoon van de bereden bevrijder aan de poorten van de stad in een land, dat de gids van de kerk wil zijn, doet natuurlijk ook denken aan Christus. Onder de grote barden heeft slechts één zich ironisch uitgelaten, en dat was de theatermaker Tadeusz Kantor, die door het regime gedoogd werd als een ongevaarlijke gek, en die in 1985 een wezenloze maarschalk opvoerde op een paard in verregaande staat van ontbinding.
Ook in de negentiende-eeuw hanteerde men metaforen met een religieus-politieke boodschap, zorgvuldig verborgen voor de censor. Cyprian Norwid schreef een vers dat door generaties Polen uit het hoofd is geleerd – een klassiek voorbeeld van lyriek die devotie en politiek verenigt:

Steeds weer ontvlamt je binnenste
als een fakkel, een laaiende vlam,
en brandend vraag je, of je grotere
vrijheid zal geworden, of al wat van jou is,
tot schande zal worden? Of as slechts blijft
of stof, dat door de wind vergaat?
Of op de bodem van de as
een fonkelende diamant opdoemt,
als de morgen van de eeuwige zegepraal.

Dezelfde metafoor heeft Zygmunt Krasinski in 1835 gebruikt in ‘De niet-goddelijke komedie’: ‘De werelden wentelen alle nu eens naar beneden, dan weer naar boven. Elk menselijk wezen, elke worm roept “ik ben God”. Aan één stuk door sterven ze. De zonnen doven uit. Christus zal ons niet meer redden, hij heeft zijn kruis opgepakt en in de afgrond gegooid. Hoor je dat kruis tegen de sterren slaan en in stukken wegvliegen, totdat er uit zijn resten een grote stofwolk opstijgt?...’ Dit citaat is ook het motto van ‘De planeet Auschwitz’, waarin Marian Pankowski zijn lotgevallen in drie concentratiekampen beschrijft.

Het verloren paradijs
‘Onthoud deze plaats, wanneer je weggaat van hier, zij zal wachten tot haar dag aanbreekt.’ (Karol Wojtyla)

Een ander typisch Pools en Wojtyliaans thema, niet verwonderlijk voor een staat waarvan de grenzen na de oorlog als meubelstukken werden verschoven. De Polen ‘wonnen’ het op de Duitsers veroverde Silezië en ‘verloren’ West-Oekraïne. Nog steeds zijn ex-Duits Silezië en ex-Pools West-Oekraïne problematische gebieden, en als de Polen heethoofden waren geweest, had Europa daar een tweede Balkan kunnen zien ontstaan.
Het verhaal van de verdrijving uit Eden inspireert de Polen al sinds heugenis. Leopold Staff schreef:

Ik bouwde op zand
en het ging ten onder,
ik bouwde op rots
en het ging ten onder.
Nu begin ik te bouwen
met de rook uit de schoorsteen.

De mythe van het verloren paradijs was ook een van de thema’s onder het communisme. Zonder te overdrijven zou je het integrale werk van Milosz onder deze noemer kunnen brengen. ‘Volgens onze diepste overtuiging,’ schreef hij, ‘zouden wij eeuwig moet en leven. We ervaren onze vergankelijkheid als geweld dat ons is aangedaan. Alleen het paradijs is werkelijk, de wereld is onwerkelijk. Daarom spreekt het verhaal over de zondeval ons zo sterk aan, alsof het een oude waarheid in het ingeslapen geheugen wekt.’
Polens verlangen naar het paradijs betekent ook frustratie om het verlies ervan. Achter de messianistische cultuur gaat een minderwaardigheidscomplex schuil, alsof de Polen de verdrijving uit Gods tuin zelf over zich hebben afgeroepen. Sommige auteurs beschreven deze frustratie op een ingenieuze manier, zoals Konwicki, die beweerde afkomstig te zijn ‘uit een kosmopolitisch Eden van het oervolk, de oertaal en de oergodsdienst, het vaderland van de vrijheid, de tuin van welig tierend individualisme, waar de mensen elkaar groeten met een glimlach, waar de politieagent een roos draagt, waar de lucht bestaat uit zuurstof en waarheid. Polen: de grote witte engel in het midden van Europa.’
Szczypiorski sloeg zijn hele cultuur tot spaanders: ‘de smalende mop die God aan de wereld vertelt, luistert naar de naam Polen.’ In een roman laat hij een ‘polonofiele’ Duitser zeggen dat hij ‘met de gezegende ziekte van het Poolse is besmet, die ziekte die juist mooi is door het onvolmaakte en zoekende, het warrige en ontoombare, net als een gek die door een engel bij de hand wordt geleid.’
De jongste schrijversgeneratie baalt van haar voorzaten die niet kunnen zwijgen over Polen als de anus mundi, zoals een zekere Duitser het land in 1942 noemde, maar zij erven onmiskenbaar een gefrustreerde cultuur. Ook als zij de klaagzang van de ouderen verwerpen, klinken zijzelf toch als de echo van de paradijsvloek. Wojciech Kuczok laat zijn hele wereld aan het eind van zijn debuutroman ‘Beerput’ wegzakken in de stront, en cultschrijfster Dorota Maslowska tekent haar land in ‘Sneeuwwit en Russisch rood’ als een van drank en drugs vergeven rimboe. Bij het lezen van deze auteurs moest ik denken aan Milosz’ woorden: ‘Misschien houden de Polen diep in hun hart daarom zo weinig van zichzelf, omdat ze zich hun staat van dronkenschap herinneren.’
Allerlei citaten uit tweehonderd jaar Poolse literatuur, die één grote queeste is naar het paradijs, maalden ongetwijfeld door Wojtyla’s hoofd, toen hij keer op keer de grond kuste, een bij uitstek symbolisch gebaar, dat het verloren paradijs lijkt te willen heroveren. Frédéric Chopin, na Johannes Paulus II de beroemdste Pool, had er iets beters op gevonden: hij droeg altijd een potje Poolse aarde in zijn zak. Hij had het paradijs steeds binnen handbereik.

De nacht na Wojtyla’s dood viel vanaf de maan een merkwaardige lichtvlek op de aarde waar te nemen, ergens tussen de negenenveertigste en de vijfenvijftigste breedtegraad. De mensen hadden langs alle Poolse wegen kaarsen neergezet. Ik moest denken aan wat een theaterdirecteur me ooit had geantwoord op de vraag waar hij zijn land situeerde:
‘Vertrek bij de achterdeur van Eden, daar waar God de al te ijverigen een trap onder hun kont geeft, loop dan een paar eeuwen, en onderweg kom je wellicht Polen tegen, als het intussen niet helemaal is opgegaan in zijn eigen schaduw.’
De nacht na Wojtyla’s dood leken de Polen de terugweg naar hun verloren paradijs te willen bijlichten, de weg die Wojtyla nu moest gaan, arm en naakt, zoals in een toneelstuk van Polens grootste dramaturg, Tadeusz Kantor, een generatiegenoot van Wojtyla. Karol en Tadeusz hebben ongetwijfeld nog samen een balletje getrapt in de straten van Krakow, terwijl Europa nog smeulde na de eerste wereldbrand en maarschalk Pilsudski als een vleesgeworden treurspeler op zijn witte telganger de stad binnenreed.

© Johan de Boose