Dubrovnik
Verslag van een verblijf als writer in residence in Kroatië
artikel verschenen in De Morgen, 9 januari 2008
DE ZIEL VAN DE STORM
Waarvan is de wereld gemaakt? Van tranen, sterren en adem. Ik woon op de oever van de Adriatische Zee, op het snijpunt van drie werelden. De haven van Dubrovnik heeft elke dag een andere kleur. Tuigage rinkelt in de novemberwind. Boten dobberen. De stad is ommuurd, er zijn maar drie poorten.
De aarde onder mijn voeten beeft op drie manieren. Eerst hoor ik de echo van de mediterrane wereld met het zangerige Grieks en het eeuwig zich vertakkende en ongrijpbare Latijn. Daarna hoor ik de kreten en de zondige gezangen van de joods-christelijke wereld, die zich uitdrukt in verschillende alfabetten, waarvan het cyrillisch het mooist, het spinachtigst is. Ten slotte hoor ik de onaardse lokroep en de mysteries van de islamitische wereld vol handelaars en hun donkerogige vrouwen die hun boerka’s allang hebben afgeworpen.
Na de instorting van de Joegoslavische unie van maarschalk Tito, de chaos en de oorlog was Kroatië opeens een nieuw land op de Europese kaart: het zag eruit als een puntzak. Oost-Europa had tot dan toe één blok geleken, Joegoslavië en de Balkan hoorden daarbij. Opeens bleken er onder de deken, die heel Oost- en een deel van Zuidoost-Europa hadden bedekt, talrijke verschillende volkeren te leven met hun eigen taal en godsdienst. In Kroatië woonden katholieken en de taal was Kroatisch; het meest logische was allesbehalve logisch. Duizenden zijn gestorven in een verbeten strijd. Dat is nog maar een goed decennium geleden.
Op de bodem van de puntzak ligt Dubrovnik, en op een van de heuvels van de stad, die door een kilometerslange stenen muur is omringd, bevindt zich de faculteit buitenlandse literatuur, waar ik deze winter een poos als writer in residence verbleef.
Dubrovnik ontroert bij de eerste aanblik, wanneer ze bloot en honingkleurig in de zon ligt. Ook de tweede aanblik ontroert, als het regent en de bora, de noordelijke valwind, de stad los wil wrikken en tegen deze hoek van Europa slaat. Die bora heeft ongetwijfeld een ziel. Ik zoek de ziel van de storm: als de stroom het begeeft, als de laatste toeristen zijn weggevlucht, als het water zich kwistig en geil op de kade werpt. Ik hou van het zuigende, bijna hijgende geluid in de gaten in de putdeksels. Hoe meer ik het hoor, hoe meer het me doet denken aan menselijk zuchten. Alles is leeg, maar de stad is bezielder dan ooit. Ik zie hoe ze deel uitmaakt van de zee, niet andersom. Dit is geen stad aan het water, maar een stad in het water.
Ik eet Dalmatische gnocchi. Buiten verkleuren de palmbomen langzaam. Het klimaat aarzelt. Plotselinge heftigheid: koude, hitte, met slechts enkele minuten verschil. De uitgestelde winter.
Vissen koop je van mannen die op de kade zitten te hengelen met een touwtje en een emmer. Op de verjaardag van de slag bij Vukovar worden in de stegen van zusterstad Dubrovnik overal kaarsjes aangestoken. De kinderen met hun onwennige vlammetjes waren nog niet geboren tijdens die oorlog.
Als de storm luwt en het vuur dooft, trek ik de bergen in, de grens over, oostwaarts richting Bosnië-Hercegovina. Het gevoel een grens over te steken zijn Europeanen snel verleerd. Lange rijen wachtende auto’s, vrachtwagens, checkpoints. Controles door militairen, twee, drie keer. Stilte. Verveling. Matte gezichten. Tijd. Hier begint en eindigt een land. Hier begon en eindigde een oorlog.
Het wintert in de herdersdorpen met de kerkjes en de moskeeën. De idylle is een illusie, want overal doemen ruïnes op, huizen vol kogelwonden, uitgebrande scholen, zwarte gaten in de wereld. Half Mostar is een puinhoop. In de moskee zet ik bij het binnenkomen eerst mijn rechtervoet over de drempel, bij het buitengaan eerst mijn linkervoet, zo blijven de boze krachten, die ik eventueel bij me draag, buiten het heiligdom. Een vluchtige vriend laat me zijn kapotgeschoten oor zien. Een vrouw vertelt hoe haar auto net niet door een bom werd geraakt.
Later graaf ik Sarajevo op uit de sneeuw en de smog. Ik observeer kinderen in een basisschooltje en tracht uit hun blik op te maken hoe zij naar hun verwoeste stad kijken. Ik schrik op – een ingesleten angst – als twee jongens van tien voor me opdoemen en hun geweer op me richten: trrrraaa! Ze spelen oorlogje. Mijn mond weigert te lachen, mijn wangen zitten vast door de kou en de ontzetting. In een zaal vlak bij de Turkse markt en de zogenaamde Latijnse brug ligt het pistool dat de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte.
Nog later dool ik langs de Dalmatische kust. De bus is het probaatste vervoermiddel, al moet je je verzoenen met het feit dat de chauffeur soms halthoudt op een onbewoonde heuvel omdat hij er geen zin meer in heeft. Een halfuur lang gebeurt er niets. ‘Komt er nog wat van, chef?’ – ‘Ja, zo dadelijk.’ Ik hou van die man. De rit duurt heel lang. Als iemand zijn bestemming heeft bereikt, maakt hij een praatje met hem of haar (meestal haar), en wenst haar ‘een gelukkig leven’.
Op de rotsige heuvels staan huizen, alsof ze daar slordig uitgestrooid zijn. De bewoners zijn nooit teruggekomen, uit angst voor landmijnen. Niemand weet hoeveel er nog liggen, maar ze zijn er. In de bomen hangen limoenen, sinaasappels, vijgen, olijven, druiven en granaatappels. Een boer die wat Nederlands kent omdat zijn vrouw een Hollandse is, wijdt me in in de geheimen van de Kroatische wijn- en oliecultuur. Een oude poppenspeler die kinderboeken schrijft en dol is op talen (we spreken een mengeling van Latijn, Russisch, Pools en Frans) vertelt bloedstollende verhalen over het eiland Krk, waar het glagolitische alfabet ontstond, over de bereiding van inktvis, over de magische kracht van pruimenlikeur en over de reden waarom poppen nooit liegen. Een man die dikke kronieken schrijft in het Dubrovniks, waarvoor zelfs iemand uit Split, slechts enkele honderden kilometers verderop, een woordenboek nodig heeft, vertelt met een gretigheid die aan het erotische grenst over de wapens waarmee hij zijn stad tijdens de oorlog verdedigde. Een politicus die wijlen president doctor Tudjman adviseerde, overstelpt me met zelfgestookte brandewijn en documenten die moeten bewijzen dat geen enkele Kroaat zich schuldig maakte aan oorlogsmisdaden. Mijn gastvrouw, een kettingrookster met mannelijke handen en een hart van goud heeft (in een vorig leven was ze schepen van cultuur in Dubrovnik), neemt me in haar stevige armen en leidt me naar de landsdelen waar de Oudheid nog te ruiken is. ‘En aan de overkant ligt Rome! En in het zuiden Athene!’
Ten slotte beland ik in Zagreb, de hoofdstad. Wanneer is een stad ‘normaal’? Hangt ervan af wat de norm is. De mijne: veel boekwinkels en minstens één kroeg die ook ’s nachts open is. Dan is Zagreb normaal: op elke hoek een boekhandel vol geestdriftige lezers en auteurs die met elkaar in discussie gaan, avond aan avond, zoals het betaamt. De boekhandel: een plaats waar je hongerige mensen vindt, waar vurig politiek wordt bedreven, waar de taal bloeit. Voor de kroeg moet je letterlijk ‘Op Het Slechte Pad’, in een halve tent achter de universiteit, in een aftandse, lawaaierige, morsige, heerlijke kroeg. Als ik er in mijn eentje langs zou lopen, zou ik er niet aan denken naar binnen te gaan. Het zit er vol jonge mensen, het bier en de grappa vloeien rijkelijk. Ik maak kennis met Nederlanders die hier door amoureuze verwikkelingen zijn blijven hangen, met een Kroaat die Nederlands geleerd heeft van de glazenwassers in de rand van Amsterdam, met nog veel meer mensen, en last but not least met Monija, een in Mostar geboren half-Kroatische half-Bosnisch-Hercegovinese studente van dertig, die in de journalistiek werkzaam was of is en die met een temperament dat je maar met één woord kunt samenvatten namelijk als ‘typisch Balkan’, vragen op me afvuurt. Ze vraagt me het Nederlandstalige publiek in te lichten over het feit dat ex-Joegoslavië ‘niet één pot nat’ is. Waarvan akte. Als het echt al heel laat is, wordt zelfs de Belgische kwestie een thema. Monija’s koosnaam is Demonia.
Uit Ljubljana, amper vijftig kilometer ten noorden van Zagreb maar de hoofdstad van een ànder nieuw land dat onder de lappendeken tevoorschijn is gekomen, arriveert mijn vriend, de auteur Ales Steger, een heerlijke vent die streeft naar de opheffing van literaire genres. Als hij mijn achternaam hoort en ik hem vertel dat ik voor mijn boek over ex-Joegoslavië nog een aantal belangrijke reizen inrooster, kijkt hij me doordringend aan en vraagt: ‘De boze, dat is toch zoiets als “de duivel”, nee?’ Ik beaam. Hij zegt: ‘Dat is een prachtig verhaal, en het begint zo: Toen kwam de duivel Joegoslavië bezoeken, maar hij had niets meer te doen. De mensen hadden al het moorden en plunderen al voor hem gedaan.’ Sommige mensen lachen. Buiten valt de eerste sneeuw op de palmbomen.
Johan de Boose
Dubrovnik-Zagreb, november 2007
In het kader van een residentie uitwisselingsprogramma tussen Het beschrijf en het Kroatische ministerie van cultuur verbleef Johan de Boose een maand lang in Dubrovnik.
Hij werkte er onder andere aan de dichtbundel ‘De vrijheid van zwijgen’, die op 22 januari verscheen bij het Poëziecentrum, en aan het non-fictieboek ‘Het geluk van Rusland, reis naar het eenzaamste volk op aarde’, dat in april verschijnt bij Meulenhoff/Manteau.
In 2008 ontvangt Het beschrijf in haar residentie te Vollezele de Kroatische auteur Igor Stiks, wiens roman ‘De Stoel van Elijah’ binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij.