Johan de Boose

Alle dromen van de wereld

Een sentimentele reis door Polen

Literaire non-fictie, Meulenhoff Amsterdam 2004

De typische Pool, zo hoorde Johan de Boose in Polen zeggen, is katholieker dan Wojtyla, heeft een McDonald's-hamburger achter de kiezen en gelooft werkelijk dat artsen na de uitbreiding van de Europese Unie in dichte drommen uit Brussel en Amsterdam naar Polen zullen afzakken om op goed geluk abortus- en euthanasiepillen uit te delen.
Het aantal misverstanden over Polen blijkt nog altijd zo wijdverbreid dat De Boose besloot om een boek te schrijven dat een en ander recht kon zetten. Na zijn eerdere bezoeken aan het land ging hij opnieuw op reis. Hij praatte met kunstenaars, politici en studenten, las kranten en romans, en trok moederziel alleen door de verlaten streken aan weerszijden van de Poolse grens.
Het resultaat is een boek dat geen genoegen neemt met wat zich in Polen aan de oppervlakte afspeelt maar dat veel en veel dieper gaat. Een aanstekelijke cultuurhistorische reportage in de beste journalistieke en literaire tradities over wat ooit een van de tolerantste landen van Europa was.


Op de avond van de tiende december 1896 liep het Parijse Théâtre de l’Oeuvre vol voor een première die geschiedenis zou schrijven.
Voor het stuk begon kwam een gedrongen man in een zakachtig zwart pak en met een kapsel à la Bonaparte aan een tafeltje voor het doek zitten. De 23-jarige auteur achtte het nodig zijn werk in te leiden: het had de acteurs aan tijd ontbroken en de scenografen, onder wie Pierre Bonnard en Henri de Toulouse-Lautrec, hadden de hele nacht doorgewerkt. Hij voegde eraan toe dat het stuk vatbaar was voor uiteenlopende interpretaties en besloot met de mededeling dat de plaats van handeling “Nergens” was, “dat wil zeggen: Polen.”
De schrijver was Alfred Jarry en het stuk heette Ubu Roi. Het was een uitgewerkte versie van Les Polonais uit 1888 en kende een vervolg in een hele reeks Ubu-drama’s. Oorspronkelijk was het een parodie op Jarry’s scheikundeleraar, maar het groeide uit tot een drama over een vraatzuchtige, kleinburgerlijke potentaat, die aldoor “merdre” zei in plaats van “merde”. Ubu nam geen blad voor de mond. Hij schaarde zich op zijn burleske manier aanvankelijk aan de kant van de gewetenloze meesters, maar koos later voor de slaven. In een echte gevangenis voelde Ubu zich vrijer dan in die andere gevangenis – de maatschappij – waarin vrijheid slechts een illusie was.
De première van de oer-Ubu werd een schandaal, een aanslag op de burgerlijke moraal en op de goede smaak. Sommige aanwezigen gebruikten een tramhoorn om het oproerige publiek te bedaren. Het stuk haalde de kunstgeschiedenis als het voorspel van de twintigste-eeuwse avant-garde.
Nulpart, c’est à dire, la Pologne.
Ik las Ubu voor het eerst op de middelbare school. Die gelijkschakeling van een landnaam met nergens verontrustte me. Ik kende de weg van school naar huis en van ons huis naar een ander huis. Je kon die route in kaart brengen. Op het televisiejournaal verschenen ook kaarten van landen en continenten, allemaal zorgvuldig ingekleurd. De wereldbol vertoonde al lang geen blinde vlekken meer. Hoe kon een land Nergens heten? Waar lag het? Niet bij benadering, niet bij schatting, maar in werkelijkheid. Zolang je niet precies kunt zeggen waar iets ligt, bestaat het niet.
Ik wilde toen al op reis naar dat Nergens. Naar een land dat nergens was en toch een naam had. Jarry zei niet niemandsland, want daar kon ik me wel iets bij voorstellen: een niemandsland was een land waar niemand woonde en dat aan niemand toebehoorde, een zone tussen grenspalen bijvoorbeeld, of het stukje grond tussen de West-Duitse en de Oost-Duitse grenswacht tijdens de Koude Oorlog, – maar Nergens?...
Wat hoopte ik in dat Nergens te vinden? Iets dat niet bestond in het land waar ik woonde? Als ik erin slaagde om Nergens te vinden, zou het prompt Ergens worden. Van dat Ergens zou ik een kaart kunnen tekenen, een geografische en een andere, een innerlijke, een die er even avontuurlijk uitzag als de ingekleurde Terra Incognita van de ontdekkingsreizigers.
Waar ligt Polen? vroeg ik me af, en ik bedoelde: Wat is Polen?
Het klinkt als een sprookje: er was eens een land dat Nergens heette.
Het enige verschil met het sprookje is, dat het echt bestaat. Ik heb het zelf gezien.
Er zijn inmiddels vele jaren verstreken sinds mijn kennismaking met Jarry, en dat Polen bestaat, kun je tegenwoordig in de krant lezen.
De dag dat Johannes-Paulus II zijn 25-jarig pontificaat viert, houdt een man me staande in een Poolse provinciestad. Hij stopt prentkaartjes in mijn hand, foto’s van de stokoude paus en kitscherige aquarellen van de Maagd Maria, die Polen door de duisternis van de geschiedenis moet leiden. Tegelijk houdt hij een hartstochtelijk betoog over de ellende die Polen te wachten staat na de toetreding tot de Europese Unie. “Gisteren dicteerde Moskou ons,” besluit hij, “morgen zal het Brussel zijn.”
Ik geef de plaatjes terug, mompel dat ik niet geïnteresseerd ben en loop door. In mijn rug hoor ik verwensingen, vloeken die je niet in het woordenboek vindt. Primo heeft hij gemerkt dat ik een buitenlander ben, hoewel ik al meer dan vijftien jaar train op die even onmogelijke als prachtige Poolse taal. Secundo associeert hij mijn gemompel met een vorm van Brusselse arrogantie, namelijk dat ik vòòr alles ben waar hij tégen is en vice versa. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij althans op dit punt gelijk.
De avond van dezelfde dag praat ik hierover met de directeur van een stadstheater. Ik ben hem via-via op het spoor gekomen. Zijn naam doet er niet toe, gemakshalve noem ik hem B. De ‘B’ van Bacchus.
In een donkere kelderclub drinken we een halflitertje warm bier en wedijveren in gesnotter, want buiten is de winter plots in alle hevigheid ingetreden en wij dragen nog sandalen en lichte regenjassen. Hij lijkt waarachtig wat op Bacchus: hij is rijzig en rond en heeft uitstaande haren. Alleen vermoed ik dat de wijngod minder zenuwachtig was. Al bij het begin van het gesprek verneem ik dat hij een aperte homo is, die als theaterdirecteur niet vies is van schandalen en die bijklust als auteur van de culinaire rubriek in een van de grootste kranten.
“Interessante combinatie, allesbehalve typisch Pools,” verstout ik me te zeggen.
Vervolgens steekt meneer B. van wal met een beschrijving van wat volgens hem een typische Pool is, een die prentkaartjes slijt bij de poort van de oude stad, een die ik vanmiddag een koude schouder heb toegekeerd.
Ik gruw van clichés, maar ik weet ook dat er in elk cliché een waarheidje schuilt met een variërend soortelijk gewicht. Daarom spits ik de oren.
“Die typische Pool,” oreert meneer B., “daarmee bedoelen we de echte Pool, de oer-Pool, de Poolse burger die katholieker is dan Wojtyla, steevast een MacDonald-hamburger achter de kiezen heeft en werkelijk gelooft dat artsen na de uitbreiding van de Europese Unie in dichte drommen uit Brussel en Amsterdam naar Polen zullen afzakken om à la bonheur abortus- en euthanasiepillen uit te delen. Zo’n oer-Pool vindt de Texaanse Elektrische Stoel even noodzakelijk als de Romeinse Heilige Stoel, hij zou alle homo’s en lesbiennes en biseksuele viezeriken het liefst levenslang achter het prikkeldraad van de gevangenis in Wolow in Silezië zien wegrotten. Een echte rechtse zak, met andere woorden, die Stalin een schoft vindt en Hitler slechts een straatboef. Die joden haat omdat het verdoken communisten zijn die Christus opnieuw zouden kruisigen als ze de kans kregen. Die zich niet kan voorstellen dat ook maar een piepklein percentage van zijn stad bevolkt zou zijn met – noem maar op – Chinezen, negers of moslims. Dàt is de oer-Pool,” schalt meneer B., “een klein lelijk straathondje, de vrucht van de meest uiteenlopende kruisingen, die in alle presidentiële stallen ter wereld naast een statig rasbeest gaat staan en denkt dat hij even mooi is.”
Hijzelf, mijn vriend Bacchus achter zijn kelk Okocim-bier, had een half-Duitse, anti-semitische vader en... een Poolse jodin als moeder! Hij is dus voor een kwart Duits, voor de helft joods en voor het overige Pools. Ik vermoed dat hij ook nog iets Grieks heeft, zo treffend is de gelijkenis met Bacchus op Van Dijcks schilderij. Misschien heeft hij zelfs Vlaamse roots en stond een verre voorzaat model voor Bacchus in Van Dijcks atelier.
Ik duizel na zijn tirade en neem een slok, maar Bacchus barst meteen in een homerische lach uit. “Het is een cliché, maar zo zijn ze gebakken, de oer-Polen.”
Vervolgens voeren we een beschaafd gesprek over de toestand van de hedendaagse Poolse cultuur. Wat hij van de cineast en Oscar-winnaar Andrzej Wajda vindt, die ik enkele dagen tevoren heb ontmoet? “Een cadaver.” En van Piesiewicz, nu senator maar in een vorig leven scenarist van Kieslowski’s Decaloog, ook hem heb ik ontmoet? “Een katholiek fundamentalist, net zoals Kieslowski zelf overigens, die alleen uit snobisme zo geliefd is in het Westen.”
Het amuseert hem dat we het oneens zijn. Wajda is een van de grote chroniqueurs van de Poolse geschiedenis, wiens films ik ettelijke keren heb gezien, en Kieslowski heeft als geen ander het dissecteermes in het Poolse katholicisme gezet, waardoor je als niet-Pool zelfs begrip kunt opbrengen voor dat typisch Poolse geloof.
Mijn Bacchus is evenmin typisch Pools als boosaardig on-Pools. Hij staart me met zijn grote bruine ogen aan alsof hij zeggen wil: natuurlijk zijn Wajda en Kieslowski en alle andere beroemde opa’s en oma’s van Polen molochs, want wat zouden de Polen zonder hen betekenen? Achter hem licht het beeld op van een verkrampte naakte mens die in de club is opgehangen alsof hij midden in de kosmos uit een ruimteschip werd gekieperd.
“Weet je,” zegt hij na een tijdje, “die oer-Pool waarover ik het had, dat is de Pool die zichzelf graag zo definieert omdat het hem tenminste tot iets maakt, al is het een echo uit een ver verleden, uit een andere tijd. Want voor de rest is er niets. Helemaal niets. Al wat in Polen min of meer de moeite waard is, is nou net niet Pools, maar – noem maar op – joods, of Litouws, Pruisisch, Oostenrijks.”
“Dat doet me denken,” breng ik voorzichtig in, “aan de vraag: waar ligt Polen?”
“Zal ik het je zeggen?” antwoordt hij met een sluw lachje. “Zal ik je zeggen waar Polen ligt?”
“Nou?”
“Vertrek bij de achterdeur van Eden, daar waar God de al te ijverigen een trap onder hun kont geeft, loop dan een paar eeuwen, en onderweg kom je, als je een beetje mazzel hebt, Polen tegen, als het intussen tenminste niet helemaal is opgegaan in zijn eigen schaduw.”
“Het verhaal van Polen is dat van de verdrijving uit het paradijs,” herhaal ik pedant. “Dat is wat Czeslaw Milosz zegt.”
“Nog zo’n opa. Maar zo één,” hij steekt zijn duim op. “Luister. Dit is wat je moet doen. Daal af in de catacomben van de Poolse cultuur, in de Danteske cirkels van de Poolse onderwereld, en aanschouw de cadavers en de fundamentalisten en de trotse poedels die aan de kont van hun afgoden snuffelen.” “Is er geen enkele terugkeer naar het paradijs mogelijk?”
“Het enige paradijs met de p van Polen is een gedroomd paradijs, een paradijs gemaakt van schoorsteenrook. En ook die moet je, mijn beste makker, op gaan snuiven.”
“Waar vind ik die?”
Bacchus trekt zijn brede schouders op, en vervolgens ook zijn borstelige wenkbrauwen.
“Voorlopig hier,” zegt hij en wuift de sigarettenrook weg. “Drinken we nog een halflitertje?”
Polen, Nergensland, het paradijs van schoorsteenrook. Twintig jaar lang heb ik het land doorkruist. Ik sliep weleens in een hotelsuite, maar meestal belandde ik in een dichtbevolkte anderhalvekamerflat, in een koloniehuis van sovjetmakelij, in de linnenkamer van het Poolse Toeristisch-Heemkundige Genootschap, kortweg PTTK, of gewoon in de schuur van een oude kolchoze.
In mijn zak zat steeds een map met kaarten, die ik eindeloos afspeurde.
Het land is ontstaan uit een verzameling snippers, groeide in enkele eeuwen uit tot een van de machtigste van Europa, ook een van de tolerantste, en verdween toen integraal van de kaart. Geschiedenisboeken vertellen me hoe Polen in de loop der eeuwen de twistappel van rivaliserende legers is geworden. Een boek noemt Polen zelfs Gods speeltuin. Een ander de dansvloer van de duivel.
Op dit slagveld van God en duivel ben ik op zoek gegaan naar de slachtoffers, de verhalen van enkelingen die vertellen hoe het achter de wereld van triomf en tragiek toeging, in het dagelijkse leven. Ik heb de zielen uit hun kist gehaald en ik heb mijn oor te luisteren gelegd tegen de hoofden van wie ik ontmoette.
Toen heb ik twee zaken geconstateerd.
Sprak ik met Nederlandstalige vrienden over Polen, dan stuitte ik op onwetendheid of op torenhoge clichés. Polen, dat is een kreupele paus, verstokte devotie, de dodenmars van Frédéric Chopin, het Warschaupact, en verder veel zwendel, smokkel en zwartwerk…
Hiermee hield het doorgaans op. De recente berichtgeving over de Europese Unie heeft hieraan nog de typisch Poolse koppigheid toegevoegd. Polen, het Trojaanse Paard dat een kritiekloos amerikanisme binnensmokkelt. Polen, de kampioen van de gemiste kans.
In het beste geval herinnert iemand zich de namen van Nobelprijswinnaars: Madame Curie, Lech Walesa, Czeslaw Milosz, Wislawa Szymborska, de ene nog meer onuitsprekelijk dan de andere.
Bovendien hangt er over Polen in het algemeen nog steeds een odium: dat het er grauw, koud en onveilig is.
Mijn tweede constatering deed ik in Polen zelf.
Vertelde ik sommige Polen dat ik een boek schreef over hun cultuur, dan kreeg ik vaak een smalend antwoord.
“Hoe noem je dat? Poolse cultuur?” lachte een Poolse Arte-medewerker terwijl hij van zijn Italiaanse koffie nipte, “waar zie je die?”
Neem me niet kwalijk, maar ik lees Poolse boeken, ik kijk naar Poolse films, ik beluister Poolse muziek, noem maar op. Ik ken de namen van Poolse koningen, gebruiken, legenden, gerechten… En hij, een aimabele veertiger met de ogen van een havik, medewerker van een cultuurzender, zegt botweg: “Polen bestaat niet.”
“Maar als Polen niet bestaat, waar zijn we dan nu?” vroeg ik.
We zaten op het terras van een Poolse provinciehoofdstad, waar ik evenveel Russisch als Duits hoorde, terwijl zigeuners uit de Balkan Weense walsen speelden.
De havik grijnsde.
Later zou ik zijn films zien. Ruïnes overwoekerd door platanen en varens. Tot leven gewekte schilderijen van Caspar David Friedrich.
Bij een andere gelegenheid voegde een Poolse televisie-omroepster in Warschau me toe: “Kom hier maar eens een tijdje wonen, dan zul je wel zien wat voor een wildernis het hier is.”
Nonsens. Ik heb hier genoeg gewoond. Ik woon hier nu, ik schrijf dit hier, in Polen.
Ik stond voor een dilemma. Bij ons hoorde ik dat Polen een blinde vlek is, en in Polen vertelde men mij dat de Poolse cultuur niet bestaat. Betekende dit dat ik al jaren een land bereisde dat geen eigenheid bezit, terwijl de kranten vol stonden met artikelen over de Poolse identiteit, de Poolse waarden en de Poolse traditie?
Het heeft lang geduurd voor ik die grimmige opmerkingen begreep. Voordat ook ik kon zeggen: misschien bestaat Polen niet, misschien is de Poolse cultuur een illusie.
Gaandeweg kwam ik erachter dat Polen een brandpunt van verschillende culturen is, het Poolse verhaal een verzameling getuigenissen uit grensgebieden en de Poolse geschiedenis dus evenzeer het relaas van Polens buurlanden.
Ik speur de kaart af. Daar ligt Polen. Is het een waanzinnig project met een triomfantelijk verleden en een tragische erfenis? Een gat in de wereld? Een misbruikte koningin, die zich verstopt? De oksel van Europa?
Hier begint mijn zoektocht, een sentimentele reis. Ik vertrek in een ver verleden, toen het woord Polen voor het eerst werd gebruikt. Vervolgens reis ik naar de opeenvolgende hoofdsteden: Gniezno, Krakòw en Warschau. Halfweg maak ik een uitstap naar Gdansk, waar ik het bloedspoor van een vrijheidsstrijd volg. Ten slotte bezoek ik de westelijke en de oostelijke grenzen, die in de loop van de tijd voortdurend werden verschoven.
Overal stel ik dezelfde vragen: waar ben ik? Wat is dit? En hoe komt het toch dat zowel God als de duivel hier zo graag vertoeven?
© Johan de Boose en uitgeverij Meulenhoff/Manteau