Toespraak, voorgelezen door mijn uitgever bij de uitreiking van de Henriette Roland Holstprijs 2008
ALLESBEHALVE ONVERSCHILLIGHEID
Dames & Heren.
Natuurlijk was ik hier liever zelf geweest, maar ik wuif u toe vanaf de Zwarte Zee, op weg van Kiev naar Istanbul, en ik doe alsof ik hier wel ben, met een ouderwetse brief. Het is zoals ik het graag heb: ik schrijf, u leest.
In het hier en nu lijkt veel vanzelfsprekend. Je staat er niet bij stil, je vraagt je nauwelijks af waarom iets is zoals het is, hoe het vroeger was, hoe het zou kunnen worden. Je ziet niet dat het gras groeit. Maar na verloop van tijd is de heuvel bezaaid met de vreemdste gewassen, plots is alles anders geworden, plots zie je dat alles anders is geworden, en dan kijk je met verbazing terug op de tijd dat je je nog niet verbaasde.
Dat is een van mijn drijfveren. Ik probeer me in te leven in een mens die zich niet verbaast over wat hij meemaakt en ik schrijf er vervolgens over met de verbazing van wie zich verbaast over het gebrek aan verbazing. Dat doe ik niet alleen met mensen, maar ook met dingen, situaties, landschappen, landen. Waanzinnige empathie. Empathie gaat natuurlijk hand in hand met ironie, want je moet ook nu en dan lachen. Empathie en humor zijn de bodemrijkdommen van een goed verhaal.
Een andere drijfveer is mijn obsessie met grenzen. Als auteur die geboren is in een land waar officieel drie maar officieus driehonderd talen worden gesproken en waar je nietsvermoedend van het ene grensgebied in het andere terechtkomt (België is zo’n beetje de hele wereld, maar dan in het klad), ben ik daar bijzonder gevoelig voor. Het heeft te maken met wat de Estische dichter Uku Masing als volgt heeft geformuleerd: ‘Kleine volken hebben alleen al een bredere horizon omdat ze niet om het bestaan van andere volken heen kunnen.’ Grenzen zoek ik op, zowel om ze af te stappen als om ze te schenden. Ik wil alles weten van de beide kanten. Alle geschillen, al het verdriet, elke verdrongen liefde. Als iemand iets beweert, wil ik ook het tegendeel horen. Het is een van de eigenschappen van de betere opalen dat ze er anders uitzien naarmate je ze in ander licht bekijkt. Zo is het ook met grenzen. Daarom moet je reizen, mag je niet ophouden met reizen, naar de bevriende kant van de grens én naar de vijandige kant van de grens, en al reizend wisselen vriendschap en vijandschap vaak van plaats.
Het was een van mijn geliefde Russen, Boris Pasternak (de auteur die bekend werd met Dokter Zjivago, maar die ook een uitmuntend dichter en de beste Russische Shakespeare-vertaler was), die zei dat je tussen literatuur en poëzie een gelijkheidsteken moet plaatsen. Ik hou enorm van die uitspraak. Elke zin die je schrijft beschouwen als poëzie, ook als het geen gedicht is. Wat is poëzie? Poëzie is heel veel, maar onder andere de combinatie van twee dingen: 1° een buitenmatige liefde voor het woord, en 2° het verlangen om tegelijkertijd verschillende standpunten te kunnen innemen.
Laat ik dat eens aandachtiger bekijken, want het is bijna een vloek in deze tijd, het klinkt - tot spijt van wie het benijdt - gevaarlijk.
Een buitenmatige liefde voor het woord, zei ik? Ja, anders is er geen leven mogelijk, althans dat kan ik mij niet voorstellen (hoewel de meerderheid van de wereldpopulatie het omgekeerde bewijst, en dat vind ik heel erg voor hen). Iets bestaat alleen maar als het is opgeschreven. Toen mijn dochter nog een kleuter was, krieuwelde ze tekentjes op papier, ze deed alsof ze schreef, en toen ze klaar was zei ze: kijk wat ik heb gedaan! Ik las in haar ogen wat ze had gedaan: ze had de schepping overgedaan, ze had ervoor gezorgd dat de wereld die ze pas had leren kennen, nu ook écht bestond, want ze had hem opgeschreven. O kinderlijke verbazing. En zo reis ik: de lange regendag in Auschwitz-Birkenau schrijf ik met natte vingers neer. De explosieve vrouwelijke schoonheid in de straten van Buenos Aires schrijf ik neer, de nevelkrans op de berg de Ararat op de Turks-Armeense grens schrijf ik neer, de Krim ’s nachts, de verlichte kustlijn van de Zwarte Zee… ik schrijf het allemaal neer. Als een kind, badend in verbazing, ben ik dan verrukt omdat de wereld bestaat. Het geschreven woord is magie. Het is een voortreffelijke synthese van alle dingen waarnaar het verwijst. Osip Mandelstam, de Russische dichter, schreef: ‘Bij het uitspreken van een woord maken we een enorme reis. Het is alsof we bij het lezen midden in het woord worden wakkergeschud.’ Het geschreven woord is een en al zintuiglijkheid. Je kunt geen geschreven woord uitspreken zonder het gevoel te hebben dat je een kist openmaakt, die van de bodem van de zee is opgehaald en vol oude, wonderlijke schatten zit. Maar pas op! Het woord kan ook stinken, uitbarsten, ontploffen. Het heeft een demonische kant, een keerzijde, een tegenpool, een explosief stuk vergeten geschiedenis. Liefde en gevaar grenzen aan elkaar.
En dan het tweede devies: poëzie als het verlangen om tegelijkertijd verschillende standpunten in te nemen. Ook dat is niet zonder risico. Ik zie nationalisten en ideologen grenzen afbakenen, ik hoor ze zeggen: hier, dit, zover, geen stap verder. Dan huiver ik, vooral omdat ze pronken met het grote gelijk. Een welkome genezing krijg ik van de Joegoslavische auteur Danilo Kis (lees: ‘Kiesj’), die in zijn anti-nationalistisch essay uit 1973 schrijft over zijn fascinatie voor het feit dat ‘overtuigingen en vooroordelen die tot absolute principes en morele categorieën verheven worden, onmiddellijk in elkaar storten en verdwijnen zodra je de dingen van de andere kant van de grens of de muur bekijkt.’ Hij was zelf een beetje van alles, daarom noem ik hem een Joegoslaaf, d.i. een Slavische ziel uit het broeierige, warrige zuiden. Mijn boek De grensganger wil een illustratie zijn van Kis’ fascinatie. Het is niets meer en niets minder dan mijn poging om te begrijpen hoe mensen aan de beide kanten van het IJzeren Gordijn in Duitsland (niet de Muur in Berlijn, maar de 1400 km lange muur die heel Duitsland in twee stukken sneed) hun wereld als de ideale wereld voorstelden, als Schlaraffia ofte Luilekkerland. Dat hield ook in: begrijpen waarom iemand met liefde over haat sprak, begrijpen waarom mijnen noodzakelijk waren, en machinegeweren en atoombommen… Noodzakelijk volgens sommigen. Dat begrip is - idealiter - het begin van een betere stand van zaken in de wereld. Mijn boek staat symbool voor wat ik nastreef: het onmogelijke, het onverzoenlijke proberen te begrijpen, onverzoenlijke tegenstellingen proberen te vatten. Sommige politici vinden dat je met bepaalde mensen of groeperingen niet mag praten; ik vind het tegenovergestelde; dat is mijn taak en mijn vak. Wat levert dit op? Het tegendeel van vrijblijvendheid, allesbehalve onverschilligheid. Het begin van een betere stand van zaken… Het heeft ook een tragische kant, want als je tegengestelde meningen eenmaal hebt begrepen, komt het onvermijdelijke moment dat je een keuze moet maken. Niet elke mening die je begrijpt, déél je ook. Als het welzijn van de naakte mens op het spel staat, is de keuze vlug gemaakt, maar vaak is een keuze ook het begin van een nieuwe oorlog.
Waarvan is de wereld gemaakt? Van tegenstrijdigheden, onverzoenlijkheden, verschillen… Tussen die verschillende werelden beweeg ik me heen en weer, alsof ik verscheurde stukken schepping weer aan elkaar borduur. Ik ben waakzaam, behoedzaam, voorzichtig, voorbereid op het ergste en op het mooiste, vol verbazing en nieuwsgierigheid.
De grensganger gaat ervan uit dat hij niets weet, hij stelt zich op vol verwondering (als Plato) in een wereld die zich te weinig verwondert, die alles als vanzelfsprekend beschouwt. Ik had het geluk in 2000 een paar uren met de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska te praten in haar appartement in Krakau. Ze zei me: ‘Dingen die normaal zijn, bestààn niet. Niets is normaal. Het leven is niet normaal.’ Haar woorden gingen gepaard met een klaterende lach. De lach van een oud meisje dat mij genadeloos wist te verleiden. Haar hele werk getuigt van de houding dat ‘niets normaal is’. Het is een houding die betekent dat je er niet van uit gaat dat de dingen zich gewoonweg voltrekken en dat dat de gewoonste zaak van de wereld is. Integendeel. Wie dit religieus wil interpreteren, gaat zijn gang, maar Szymborska is een agnost, zoals ik.
Grensgangers lopen ook op de oever van de Styx. Niets bevat méér verwondering dan wanneer het getoetst wordt aan de laatste grens. Danilo Kis opnieuw: ‘Het geschrift is een levensteken dat als een ark overleeft. Het is een gematerialiseerd leven, een kleine, treurige, onbenullige menselijke overwinning op het grote, eeuwige, goddelijke Niet.’ Man, wat een besef! Toen ik thuiskwam van mijn reis langs het IJzeren Gordijn, stierf mijn vader. Hij had op mij gewacht. Hij had duizenden kilometers gewacht, in gedachten was hij meegereisd. Toen was hij moe. Ik vertelde hem alles wat ik wist. Dan deed hij zijn ogen toe en ging voorgoed weg. Opeens besefte ik dat ik de hele tijd ook langs een andere grens had gereisd, de grens van het leven. Daarom heb ik De grensganger aan hem opgedragen. Het is een therapeutisch in memoriam patris geworden. In mijn gedachten maakt hij deze dag hier en nu mee, vol gezonde, nieuwsgierige, verbaasde verwondering, zoals ik.
Ik dank u hartelijk!
Johan de Boose
Kiev (Oekraïne), 6 mei 2008