Over Dubravka Ugresic
Recensie van 'Niemand thuis'
‘Niemand thuis’ is een bundeling columns en essays, die de Kroatische schrijfster Dubravka Ugresic in de afgelopen jaren heeft gepubliceerd. Zij woont in Nederland, maar schrijft in het Kroatisch. Het boek geeft een mooi overzicht van de verschillende stijlen, waarin ze uitblinkt: de ironische schets, het wijsgerige traktaat, de lichte column, de autobiografische commentaar. Ook haar onderwerpen zijn erg uiteenlopend. Zo schrijft ze even graag over vlooienmarkten, vogelhuisjes en de Amsterdamse fietscultuur als over Europese identiteit, wereldliteratuur en postcommunisme. Haar bedenkingen zijn een mengeling van feitelijke journalistiek, literaire reflectie en filosofische commentaar, waarbij ze meestal vertrekt vanuit een kleine, concrete aanleiding en via soms grillige omwegen naar een pointe toe werkt. In die zin doen bepaalde teksten denken aan ‘Onverplichte lectuur’ van de Poolse dichteres en Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska.
Ugresic is afkomstig uit een land dat niet meer bestaat: Joegoslavië. Zij is een van die talloze intellectuelen, die door het communisme in de verbanning zijn gedreven en die vervolgens vanuit hun nieuwe verblijfplaats (of -plaatsen, want Ugresic reist veel) commentaar geeft op zowel de nieuwe thuis als de verloren wereld. Dat is de beste manier om clichés te bestrijden. Ze kent als geen ander de koude-oorlogretoriek en kan die vlijmscherp analyseren. Op die manier zet ze de belangrijkste aspecten van het dagelijks leven achter het IJzeren Gordijn nog eens op een rijtje vanuit een persoonlijk perspectief. Erg vermakelijk is hoe ze de sovjetsjtsjina beschrijft, de typische sovjetsfeer, die ze oproept aan de hand van oplosmelk of bonbons, allemaal heel zintuiglijke dingen. Maar tegelijk slaagt ze erin het grote politieke verhaal, dat zich hoog boven de hoofden van de gewone mensen afspeelt, te schetsen. Uiteraard legt ze ook verbanden met de huidige maatschappij. Daarbij is ze meesterlijk kritisch en ironisch. Zo beschrijft ze in een van haar langere stukken hoe de overgang van het communisme naar het kapitalisme is verlopen en wat daarvan de gevolgen zijn. Haar focus is ex-Joegoslavië, maar mijn observatie leert dat we haar woorden mogen veralgemenen tot heel Oost-Europa. Ver doorgedreven polarisering, die leidt tot omgekeerde retoriek. Of: wat onder het communisme wit was, wordt onder het kapitalisme op slag en zonder verdere verantwoording zwart, en vice versa.
Ze schrijft: ‘Degenen die aan de verandering leiding gaven, veranderden van communisten in nationalisten, van oude anti-fascisten in kersverse fascisten, van verstokte atheïsten in vurige gelovigen, van moordenaars in helden, van rovers en dieven in succesvolle zakenlieden, en van half analfabete nitwits in arrogante openbare denkers. Niet alleen was deze transformatie ideologisch en politiek gewenst, ze bleek ook winstgevend. Inderdaad: de mensen veranderden van half-analfabete ex-emigranten in ministers, van dorpsonderwijzers in onderwijshervormers en -managers, van slechte dichters en bescheiden bibliothecarissen in ambassadeurs en verkwisters van overheidsgelden, van ordinaire criminelen en moordenaars in met medailles behangen generaals, en van schizofrene grootheidsmaniakken in de presidenten van de pas ontstane landen.’
Het zou een interessante oefening zijn om al deze omschrijvingen te illustreren met voorbeelden uit postcommunistisch Oost-Europa.
In andere essays beschrijft ze de ontgoocheling voor veel inwoners van Oost-Europa, toen ze geconfronteerd werden met de ijskoude wind van het nieuwe beleid, dat Geert Mak ooit een roofkapitalisme heeft genoemd. Met Slavoj Zizek (ook een ex-Joegoslaaf, maar dan uit Slovenië) maakt ze kanttekeningen bij het wezen van het kapitalisme en waarschuwt ze dat ook deze ideologie kan verdwijnen. Voor een emigrant uit het lang door de Sovjetunie gedomineerde blok legt ze daarbij veel begrip aan de dag voor de gewone Rus.
Ze schrijft: ‘Ik neem aan dat veel inwoners van de voormalige Oostbloklanden zich na de val van het communisme enigszins teleurgesteld voelden. Dat geldt vooral voor de voormalige sovjetburgers, en met name de Russen, want zij droegen de ernstigste stigmata: zij exporteerden het communisme naar de landen om zich heen, het monster genaamd Stalin werd gezien als iemand uit hùn midden, en jarenlang vormden ze een bron van ellende voor Polen, Hongaren, Tsjechen, enzovoort... Het waren de Russen die de hel van de stalinistische kampen moesten doormaken, terwijl er in de Tweede Wereldoorlog ongeveer zevenentwintig miljoen Russische gesneuvelden op de slagvelden achterbleven, iets waar niemand zich ooit voldoende rekenschap van heeft gegeven. Erger nog: in veel West-Europese leerboeken wordt hun aandeel in de strijd tegen het fascisme niet of nauwelijks genoemd. Het leven vlak na de oorlog was een voortdurend gevecht om het hoofd boven water te houden. Het poststalinisme bracht een zekere verlichting, maar tegelijk kwam er een enorme emigratiegolf op gang. De recentste traumatische ervaring was het uiteenvallen van de Sovjetunie, waarbij opnieuw slachtoffers vielen. Toen ze het einde van deze donkere, nachtmerrieachtige tunnel hadden bereikt, wachtte hun een beloning die al het doorstane leed goed zou maken: een grote, ruim voorziene supermarkt waar ze blikjes Italiaanse tonijn, Duitse yoghurt, Hollandse haring en Amerikaanse kauwgom konden krijgen. Maar ook wachtte hun het besef dat al die dingen weliswaar te koop waren, maar dat ze daarvoor het geld niet hadden. Er wachtten hun een hoop paradoxen waarover ze het nu met niemand meer willen hebben omdat het niemand meer iets kan schelen. Bovendien kwamen ze tot de ontdekking dat een eenmaal opgelopen stigma werkt als een schandvlek, en een schandvlek heb je makkelijker opgelopen dan dat je ervan afkomt. Slechts weinigen zullen zich interesseren voor een waarheid die pas achteraf aan het licht komt.’
Als er een rode draad door het boek loopt, is het de geest van een Russisch boek uit de jaren dertig, Het gouden kalf van het schrijversduo Ilf en Petrov. Ze doet dat, naar eigen zeggen, omdat elke schrijver een symbolische literaire ‘belasting’ zou moeten betalen. Het gouden kalf was een van de hoogtepunten van de sovjetsatire, waarin een beroepsoplichter, de ritselaar Ostap Bender, de hoofdrol speelt. Ugresic gaat zo ver dat ze moderne managers in Oost-Europa ritselaars noemt, de opvolgers van Bender.
Het interessante aan Ugresic’ boek is, dat je niet alleen haar boek in handen hebt, maar over haar schouder meeleest in een heleboel andere boeken.
'Niemand thuis' verscheen bij De Geus in 2007.